U kunt ons daarbij financieel steunen door uw donatie te storten op rekening 129003948 tnv Heemkundekring HN Ouwerling in Deurne, o.v.v. “Donatie DeurneWiki”. Lees hier het bericht van onze voorzitter. |
De Ceele-mennekes
Uit DeurneWiki
Als de Ceele-Mennekes stond de tweeling Nol en Tinus Ceelen uit Zeilberg bekend.[1]
Nol en Tinus Ceelen van de Zeilberg, beter bekend als “De Ceele – Mennekes”, waren een tweeling. Ze leken zo op elkaar dat men niet wist wie de ene of wie de andere was. Ze hadden ook dikwijls ruzie samen. Dan zei het ene Ceele-menneke tegen het andere “Houde gij oewen kop dicht, ik ben den oudste”. En waarachtig dat was ook zo, de ene is een kwartiertje voor de andere op de wereld gekomen, die heeft het eerstgeboorterecht. Daarom vond hij dat hij de baas was in huis. Zij steggelden altijd samen. Behalve als ze in het dorpscafé stonden en samen met geheven glaasjes een krom liedje stonden te zingen en samen dronken werden. Dan waren zij zo verbroederd, dat de ene niet wist of hij soms niet de andere was. “Gij bent den oudste gij!” zegt de ene, “misschien bende gij het wel, ons moeder heeft ons niet uit elkander kunnen houden”, zegt de andere. “Dan zijn we allebei den oudste, da zijn we”.
Met de Ceele-mennekes kon veel gelachen worden want ze stonden bekend om hun schelmenstreken. De ene beweerde zes weken ouder te zijn dan de ander, dit tot hilariteit van velen. Ze woonden bij elkaar in een klein huisje, het "hutje aan de zee" vlak bij de zwembad de Clarinet, maar ze betaalden altijd allebei hun eigen brood, hun eigen tabak en eigen bronolie (petroleum). Ze stookten ieder om de beurt een week de lamp en dan mocht de ene in de ander zijn licht kijken. Maar als ze “zat” waren in het café gaven ze alles aan elkaar weg. Ze ruilden alles met elkaar, hun horloge, tabaksdoos, pijp, hun pet, wel vier keer achter elkaar zodat ze niet meer wisten van wie welke pet was, zo ging het door tot aan hun zakdoek toe. Daarna begonnen ze er weer over te steggelen. De tweeling werkte in de Peel. Op hun oude dag zijn de broers bij de zusters in het dorp gaan wonen. Daar sleten zij hun laatste jaren.
Lit: D'n Uytbeyndel 64 28-29.
Referenties
|
