DeurneWiki een encyclopedie over, voor en door Deurne(naren)!
U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

De middeleeuwen

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Ga naar: navigatie, zoeken

De middeleeuwen (450 - 1300 na Chr.).


Het lijkt er op dat het oosten van Noord-Brabant gedurende vrijwel de gehele 5e en 6e eeuw geen bewoning heeft gehad. Slechts hier en daar zijn wat primitieve hutkommen gevonden die er op wijzen dat er nog geïsoleerde groepjes mensen op de zandgronden woonden. Eind 6e eeuw werden de Brabantse zandgronden opnieuw gekoloniseerd door boerensamenlevingen. Daarmee was de Merovingische tijd begonnen (circa 575-725). De Merovingische boeren vestigden zich op de hoogste delen van de dekzandruggen. Hun nederzettingen waren allen kleinschalig van opzet en bestonden slechts uit enkele hoofdgebouwen, elk voor één huishouden. Aangenomen wordt dat in deze gehuchten sprake was van een zelfvoorzienende economie.

De samenleving bestond naast de adel en de vrije boeren uit grote groepen horige boeren. Kenmerkend voor het middeleeuwse bestuur is het feodale leenstelsel. Dit betekende dat een groot deel van de landerijen of domeinen van de heer in bruikleen werden gegeven aan zijn leenmannen. Deze horigen moesten daarvoor in de plaats het land bewerken en producten en diensten leveren aan de leenheer. De veestapel bestond uit runderen, varkens, schapen, geiten, kippen en tamme ganzen. Het vee werd naar de vochtige en grasrijke beekdalen gedreven. Varkens kregen hun voer op het erf. Schapen werden gehoed op de heide. De akkers lagen op de hogere gronden, waar rogge, gerst, haver en vlas werd verbouwd. Na enkele jaren graan verbouwd te hebben, kwam de akker een jaar braak te liggen. Het onkruid dat er groeide en de herfstbladeren zorgden voor enige bemesting, zodat de vruchtbaarheid van de akkers herstelde.

In de late middeleeuwen zien we dat de beheerders van de domeinen, veelal in handen van abdijen, zich goederen en rechten toeeigenden. Deze heerlijke rechten (zoals rechtspraak, cijnsheffing, kerk- en molenrecht), vormden de basis voor de lokale machtsuitoefening. Het onderscheid tussen lijfeigenen, horigen en vrijen vervaagde omdat ook de vrijen met eigen landerijen onderworpen waren aan de heerlijke rechten en belastingen. Vrije goederen werden dan ook steeds vaker aan de lokale heer afgestaan, om deze in leen (cijnsgoed) terug te nemen.

Door het verkrijgen van de stads- en vrijheidsrechten in 1301 voor Someren en ook andere steden werd de macht van de lokale elite ondermijnd. De boeren werden praktisch eigenaar van de grond. Kenmerkend voor deze periode zijn de nieuwe ontginningen van land op initiatief van de lokale heren. Voorbeelden van zulke ontginningsboerderijen uit de volle middeleeuwen zijn in Deurne onder andere te vinden bij de Grote Bottel, de Molenhof en het Kerkeind en in Vlierden bij Vorst, Ruth en Belgeren.

De oudste middeleeuwse resten in Deurne (op dit moment) zijn te vinden onder de huidige Sint-Willibrorduskerk in Deurne-Centrum. In de jaren 60 van de 20e eeuw zijn onder deze kerk, oorspronkelijk uit 1300 na chr., romaanse fundamenten uit vermoedelijk de 11e eeuw ontdekt. Het betreft hier muurwerk van zogenaamde ijzersteen. Dit versterkt het vermoeden voor een middeleeuwse oorsprong van het huidige centrum van Deurne; toekomstig archeologisch onderzoek moet dit bevestigen.