DeurneWiki een encyclopedie over, voor en door Deurne(naren)!
U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

Fraudezaak Martinus Heijcoop 1771

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Ga naar: navigatie, zoeken

Bij de fraudezaak Martinus Heijcoop in 1771 betreffende valse gezondheidsverklaringen voor verkocht vee waren veel boeren en veehandelaren in Vlierden, Deurne en omgeving betrokken.

Fraude[bewerken]

De Vlierdense substituut-secretaris Martinus Heijcoop verstrekte in 1771 vele tientallen frauduleuze verklaringen omtrent de gezondheid van vee en van de stallen waarin deze beesten waren opgegroeid. Hij zette daartoe valse handtekeningen van de Vlierdense schepenen op de verklaring.

In mei 1769 werd er door de hoge overheid een wet gepubliceerd, waarin ter voorkoming van besmettelijke veeziektes de invoer en het transport van vee geregeld was. Daarin was onder meer geregeld dat bij de verkoop van binnenlands opgefokt vee de handelaar een verklaring van de schepenen nodig had, waaruit bleek dat de dieren in gezonde, onbesmette stallen waren grootgebracht. Er werd in die tijd nogal wat vee illegaal vanuit Pruisen naar onze contreien gesmokkeld. Om dat vee verder te kunnen verhandelen had men dus de genoemde verklaring nodig en al snel ontdekten de veehandelaren dat Martinus Heijcoop bereid bleek om tegen vergoeding valse verklaringen af te geven. Deze verklaringen moesten ook steeds door twee schepenen worden ondertekend, ook deze handtekeningen vervalste hij. Een van de schepenen was Jan van der Heijden die niet kon lezen en schrijven en een stempel IVDH gebruikte ter ondertekening. Dit stempel werd door Heijcoop misbruikt en bovendien misbruikte hij de namen van Peellandse boeren waar de koeien en ossen zogenaamd zouden zijn opgegroeid.

Vlucht naar Pruisen[bewerken]

Begin augustus 1771 ontdekte de belastingdienst dat er iets niet in de haak was met die gezondheidsverklaringen en werden een dertiental personen uit Someren stevig aan de tand gevoeld. Daarbij kwam de rol van Martinus Heijcoop steeds duidelijker in beeld. Op 12 augustus verklaarden negen Deurnenaren tegenover de schepenen van Deurne dat er op hun naam valse verklaringen waren opgesteld. Heijcoop kreeg dat blijkbaar op een of andere manier ook zelf te horen want de volgende dag verkocht hij zijn bezittingen aan zijn schoonvader, de Aarlese president-schepen Hendrik van Ommeren. In de nacht van 13 op 14 augustus verdween hij met de stille trom naar Gogh, waar hij zich schuil hield bij zijn vroegere vriend en oud-Vlierdenaar Johannes Jansen, die daar molenaar was.

Drossaard en secretaris Petrus de Jong, onder wie Martinus Heijcoop als zaakwaarnemer in Vlierden werkte, werd van de fraudezaak en de vlucht van Heijcoop op de hoogte gesteld en liet in Vlierden onmiddellijk de secretarie verzegelen. De achtergebleven vrouw van Heijcoop en de dienstmeid overhandigden ook nog enkele papieren die ze in huis vonden. Later bleek dat Heijcoop aan De Jong nooit rekening en verantwoording had afgelegd over de valse verklaringen en het geld dat die hem in het laadje brachten.

In Gogh liet Heijcoop zich eind augustus ronselen door een luitenant van het Pruisische leger en vertrok naar Maagdenburg. Ondertussen gingen de verhoren van verdachten en de verklaringen van de betrokken boeren en handelaren in Asten, Deurne en Helmond door en steeds duidelijker kwam daarbij de kwalijke rol van Heijcoop in beeld. Ook de namen van Helmondse veehandelaren Jan Ververs en Adam Hockers en Willem van den Broek uit Zesgehuchten werden daarbij herhaaldelijk genoemd. Op 25 september 1771 leidde dit tot een arrestatiebevel door de Raad van Brabant van Heijcoop. Maar ook de Deurnese veehandelaar Arnoldus Slaats kwam achter slot en grendel, eerst in Asten, later in Den Bosch en uiteindelijk op de Voorpoort in Den Haag.

Toen op 27 november 1771 het proces tegen Heijcoop in Den Haag van start ging was de hoofdverdachte in deze zaak nog steeds voortvluchtig en in Pruisen in dienst bij het leger van de koning. De pastoor van Asten, die in december enkele dagen in Pruisen vertoefde, hoorde daar van een vriend dat een advocaat, op verzoek van de vrouw van Heijcoop en haar vader Hendrik van Ommeren, een tevergeefse poging had ondernomen om Heijcoop los te krijgen uit dienst zodat hij hier kon terechtstaan.

Men zat ondertussen in Den Haag niet stil en door de Staten Generaal werd een arrestatie- en uitleveringsverzoek gestuurd naar de hoogste Duitse instanties in Berlijn. Op 27 maart 1772 ontving Hendrik van Adrichem, de stadhouder van de stad en meierij van Den Bosch per post toestemming van de koning van Pruisen. Al drie dagen later werd deze papieren getoond aan de hoge regering van het land van Kleef. Daarbij bleek dat men daar niet genegen was om aan de arrestatie en uitlevering mee te werken. Daarom besloten de Hollanders om zelf handelend op te treden. Nog op 30 januari werd vanuit Kleef een vertrouwenspersoon naar Gogh gestuurd om daar poolshoogte te nemen omtrent de verblijfplaats van Heijcoop, van wie men wist dat hij inmiddels uit het leger ontslagen was. Diezelfde avond keerde deze persoon terug naar Kleef en meldde dat Heijcoop inderdaad bij mulder Jansen in Gogh verbleef.

Arrestatie[bewerken]

Er werd besloten om meteen zelf Heijcoop te arresteren en diezelfde nacht vertrokken vanuit Kleef twee rijtuigen naar Gogh, waar men 's morgens om vier uur door de geopende stadspoorten kon rijden. Men ging naar het huis van de molenaar waar Heijcoop nog liggend op bed werd aangetroffen. Maar de molenaar verzette zich hevig tegen de arrestatie van zijn vriend en liet ijlings de burgemeester halen, die op zijn beurt ook fel protest aantekende en 30 man van de schutterij liet ontbieden om de arrestatie te verhinderen. Ondertussen werd Heijcoop echter met geweld in het eerste rijtuig geduwd, dat er vervolgens snel vandoor ging. Nauwelijks was dat rijtuig de stadspoorten gepasseerd of de brug werd opgehaald en de poort gesloten. Van Adrichem laadde nog wat persoonlijke bezittingen van Heijcoop in het tweede rijtuig en wilde ook de stad verlaten maar kwam voor een gesloten poort. De stadsbestuurders zagen in dat het weinig zin had om hem vast te houden, nu de hoofdpersoon al verdwenen was en zij lieten ook het tweede rijtuig gaan.

In eerste instantie werd Heijcoop overgebracht naar de gevangenis in het slot van Kleef, van waar men hem pas wilde laten gaan nadat de koning persoonlijk toestemming had verleend tot de uitzetting. Enkele weken later, op 13 april 1772 kwam deze toestemming af en die zelfde dag werd Heijcoop naar de gevangenis in Nijmegen gebracht. De volgende werd hij van Nijmegen per boot naar Delft vervoerd en later overgebracht naar de Voorpoort in Den Haag.

Proces, straf en amnestie[bewerken]

Het proces kon nu mét de hoofdverdachte worden voortgezet en dat leidde opnieuw tot de oproep van een aantal Deurnese getuigen om zich in Den Haag te melden. Dat waren Jan Wijnants, Jan Goort Jacobs, Peter van den Boomen, Hendrik en Willem van de Ven. Jan Wijnants werd niet thuis aangetroffen maar zijn vrouw was wel zeer geëmotioneerd. Pieter van den Boomen lag ernstig ziek op bed en was niet in staat om te reizen. Van de gebroeders Van de Ven werd Willem niet thuis aangetroffen, maar kwam later toch opdagen. Zij vertrokken samen met Jan Jacobs naar Den Haag en ze namen een drift koeien mee, waardoor de lange reis niet helemaal voor niets was. In Nunen vertelden ze iemand dat ze er wel 100 gulden voor over hadden als ze deze reis niet hoefden te ondernemen.

Heijcoop werd uiteindelijk tot onder meer een openbare geseling veroordeeld. Normaal gesproken zou dat in Den Haag hebben plaatsgevonden, maar ene Dirkje Verbeek, kasteleinsvrouw van een herenlogement in Den Haag en weduwe van een andere Martinus Heijcoop, protesteerde daartegen omdat ze bang was dat haar zaak daarmee in discrediet gebracht werd. Ze stelde de Hoogmogenden met succes voor om het vonnis niet in Den Haag maar in Den Bosch te laten voltrekken.[1] Heijcoop werd onder de galg op de Markt in 's-Hertogenbosch tentoongesteld en tot brandmerking en een gevangenisstraf van dertig jaar in de gevangenis van Breda veroordeeld. Deze openbare terechtstelling vond plaats op 11 juni 1772.[2] Zijn bezittingen werden in Vlierden bij de Kaak publiek verkocht en brachten 1300 gulden op. De onroerende goederen kwamen in handen van Marten van Bree.

Zijn gevangenisstraf hoefde hij maar voor een klein gedeelte uit te zitten want op 9 juni 1773 werd een algehele amnestie in deze zaak afgekondigd, waardoor zowel Heijcoop als alle anderen die op dat moment nog gevangen zaten werden vrijgelaten. In 1776 procedeerde Heijcoop vanuit het Land van Ravenstein tegen een boer uit Deurne van wie hij nog geld tegoed meende te hebben.[3]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Collectie Rijksarchief N.Br.1557-1817 RANB 178 inv nr 110 folio 375 – woensdag 4 juni 1772, regest Henk Beijers
  2. In het dagblad Trouw van 7 mei 2001 werd een artikel gepubliceerd over deze geruchtmakende Vlierdense affaire uit de 18e eeuw, waarin vooral de openbare geseling centraal staat.
  3. In D'n Uytbeyndel nummer 80 van najaar 2013 publiceerde Pieter Koolen op blz. 4 t/m 7 over dit ondererp onder de titel Een Peellandse fraudezaak in de achttiende eeuw.