DeurneWiki een encyclopedie over, voor en door Deurne(naren)!
U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

Gruitrecht

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Ga naar: navigatie, zoeken

Het gruitrecht, ook wel gruitgeld of kortweg gruit genoemd, was van oudsher een belasting die door de bierbrouwers aan de soeverein betaald moest worden. In de loop der tijden ging dit recht over in particuliere handen.


Zo was het gruitrecht in Deurne en Vlierden rond 1800 in handen van Carel Frederik Wesselman, de heer van Helmond. De Deurnese bierbrouwer Willem Antoni van de Mortel, die zijn brouwerij aan de Schuivelberg had, betwijfelde de rechtmatigheid van deze belasting en weigerde die daarom in 1801 te betalen. Hij verklaarde zijn weigering tegenover de vorster als volgt:

Ik ben nooijt onwillig geweest, en nog niet, als mij daar bewijs van getoond word, dat ik dat verpligt ben om te geven.

En dat bewijs leverde Wesselman hem zeer uitgebreid, zoals hieronder blijkt.

In een brief van St.-Mathijsdag 1328 werd het gruitrecht over de dorpen Tongelre, Nunen, Someren, Deurne, Liessel, Erp en Veghel door de hertog als vrij eigen goed en niet aan enig leen onderhevig door de hertog Jan van Brabant overgegeven aan IJsbout van Asten tegen een jaarlijkse vergoeding van 8 ponden zwarte Tournooisen. Deze betaling moest met Pasen geschieden en bedroeg in 1801 jaarlijks elf gulden.

Het gruitrecht ging over op zijn kinderen en erfgenamen en kwam zodoende terecht bij de nichten Heilwich en Aagte van Bruheze. Door een vonnis van de raad van hertog Philips van 22 mei 1440 kwam het recht in handen van Jacob van der Schaut, die gehuwd was met genoemde Heilwig, en Willem van Eijk, gehuwd met Aagte.

Op 15 maart 1463 verkocht Jacob, de zoon van voornoemde Jacob van der Schaut, zijn helft van het gruitrecht aan Hendrik de zoon van Gerrit Ceelen. Eveneens verkochten Jan en Margriet, gehuwd met Willem de Weder, de kinderen van Willem van Eijk, hun helft op 4 mei 1463 aan Hendrik Gerrit Ceelen.

Op 7 april 1472 droeg Hendrik Ceelen het recht over op zijn zoon Gerrit Ceelen. Deze was rentmeester van het kwartier van Den Bosch (?) en verbond het gruitrecht onder de borgtocht die was gesteld door de heer van Helmond, Jan van Cortenbach, samen met Rutger van Erp, Louis van Lankvelt en Jan Steenwegh. Door een vonnis van de Raad van Brabant van 23 april 1482 werd het recht toegewezen aan deze vier personen. Op 19 november 1496 werd deze overdracht nog eens ten overvloede bevestigd door de kinderen van Hendrik Ceelen: Gerrit en zijn zuster Catharina, zij mede mede voor hun broer Hubrecht.

Op 9 maart 1499 droegen Jan Steenweg, Jan , de zoon van Rutger van Erp, en Goyart. de zoon van Louis van Lankvelt, hun deel in het recht op aan de priester Hendrik Scilder.

Op 19 april 1502 droeg Scilder het recht over aan Jan Wouter Vogels en deze weer op 30 juli 1502 aan de Helmondse heer Jan van Cortenbach, waarmee het gehele recht weer in één hand kwam, want inmiddels had op 19 maart 1501 ook Ywan van Cortenbach zijn rechten overgedragen aan zijn neef Jan van Cortenbach.

Vervolgens ging het gruitrecht over op de achtereenvolgende heren van Helmond en op 21 november 1781 kocht Wesselman het recht, samen met de heerlijkheid Helmond, van zijn voorganger Nicolaas Antonius graaf van Arbergh.

Willem Antoni van de Mortel moet door deze bewijsvoering overdonderd zijn geweest, zeker omdat Wesselman er nog bijvoegde dat hij alle originele koopbrieven desnoods ook nog kon tonen.

Wesselman eindigde zijn lange brief, waarin hij alles uiteenzette, als volgt:

(...)dat het recht van gruijt in de voorzeijde dorpen is des ondergetekendens wettig verkregen en bezeten eijgendom, zodanig, dat niemant, die als een man van eer en deugt een ijder het zijne wil geeven, na een zoodanige bekomen inligting een ogenblik zal aarselen om aan den ondergetekenden zijn recht van gruijt op meer genoemde plaatsen te voldoen, en waarom ook de ondergetekende niet twijfelt of Willem Anthony van de Mortel zijn woord gestand doende, zal dadelijk aan den ondergetekende of desselfs collecteur Jan Wijnants hetgeen hij nog wegens den gruijt is schuldig gebleven, betalen.