DeurneWiki een encyclopedie over, voor en door Deurne(naren)!
U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

Kerknaasting in Deurne 1799

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Ga naar: navigatie, zoeken
De in 1799 aan de katholieken teruggegeven grote kerk (hier door fotograaf Jan van den Eijnde gefotografeerd in 1941-1942 na de grote verbouwing van 1883.

De kerknaasting in Deurne 1799 door de katholieken werd mogelijk gemaakt door artikel 6 van de additionele artikelen tot de staatsregeling die op 23 april 1798 door het Voorlopig Bewind van de Bataafse Republiek werd aangenomen en op 12 juli van dat jaar gepubliceerd.


Nog voor de formele staatregeling van kracht werd had men in Deurne al karren vol met kerkinventaris vanuit (Zuid-)Brabant naar de Peel laten komen om in de grote kerk te plaatsen. Het rapport aan de Agent van Politie van de Raad van Brabant dat in de zomer van 1798 hierover, en over veel andere zaken die misgingen ten aanzien van de overdracht van de kerken aan de katholieken, begon als volgt:

Vooraf moet ik avanceren, dat over het algemeen in dit voormalig gewest, bijzonder in de Meierij van Den Bosch ten plattelande heerst een onbegrijpelijke domheid, waaruit geboren worden dweperij, religiehaat en vervolgzucht, hetgeen zo ver gaat, dat men in andere voormalige gewesten, waar meerdere verlichting plaats heeft, zich daar van geen denkbeeld maken kan. Deze gebreken worden niet verminderd door de uitgejaagde geordende Brabantse geestelijkheid, waarvan er zeer vele, zo door familierelaties, als andere betrekkingen zich hier te lande ophouden; en ze worden aangezet door de aanhangelingen en geheime commisarissen van het vorig schrikbewind, die, in troebel water zoekende te vissen, de tegenwoordige orde van zaken gaarne in de war gebracht zagen. Daar nu het getal der gereformeerden tegenover het roomse kerkgenootschap ten minste zal staan als 50 tegen 1, zo profiteert de redeloze domheid en dweepzucht van deze meerderheid, en neemt daartoe te baat het zesde der additioneele artikelen van de Staatsregeling, waaromtrent zij over het algemeen deze cijnssure volgen. Zij laten de kerk door een boerentimmerman en een metselaar taxeren op enige weinige duizend guldens, dan slaan zij die som om over het gehele getal van zielen, roomsen en gereformeerden, en offreren aan de gereformeerden het aandeel in die omslag, ’t geen doorgaans op 1, 2 of 3 gulden per hoofd uitkomt. Deze weigeren die som te ontvangen en de andere gaan des niet te min voort; maken zich meester van de kerk, gaan dezelve schoonmaken, kopen in Brabant kerksieraden, en stellen zich in de possessie. De municipaliteiten, meestal niet veel wijzer dan het domme gemeen, en overal uit de roomsgezinden genomen, laten zulks toe, ja werken zelfs veeltijds mede.

Op 1 oktober 1798 kreeg de gemeente Deurne en Liessel het volgende, door de pastoor en een overgrote meerderheid van de katholieken ondertekend, verzoekschrift:

Geven te kennen de ondergetekenden allen inwoonderen en leden van het Rooms kerkgenootschap binnen de gemeente van Deurne en Liessel, dat volgens het 6e der additionele artikelen tot de akte van staatsregeling alle kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heersende kerk, voor zover zij door aanbouw uit de afzonderlijke kas der gemeente geen bijzondere wettige eigendom zijn, worden overgelaten aan de beschikking van ieder plaatselijk bestuur om deswegens tussen alle kerkgenootschappen enig vergelijk te treffen en wel binnen de eerste zes maanden na de aanneming der staatsregeling, en daar er alhier zodanig kerkgebouw alsmede tot Liessel zoals vertrouwd gevonden wordt en de ondergetekenden, die verre met hun kerkgemeente de meerderheid van zielen uitmaken, gaarne van het hun daarbij toegekende recht zouden gebruik maken, zo nemen zij de vrijheid zich tot U lieden te keren, verzoekend dat het U lieden behagen moge, het kerkgebouw van de voormaals heersende kerk te Deurne als mede te Liessel, ingevolge voornoemd zesde additioneel artikel van de staatsregeling aan ons wordt bezorgd, van zodanig een vergelijk daar te stellen, etc. 't Welk doende etc.

1155 katholieken zetten hun handtekening of handmerk onder het verzoekschrift. Zeven of acht herbergiers en winkeliers, die bij de schuurkerk aan de Lagekerk woonden, zagen door de verhuizing naar de grote kerk hun kostwinning in gevaar komen en weigerden te tekenen. Op 10 oktober 1798 gaven de ondertekenaars volmacht aan {{Joannes Wilhelmus van de Mortel (1751-1840)|Jan Willem van de Mortel]], Jan Thoro en Adriaan Corstiaans om namens hun de onderhandelingen te doen met de protestanten.

Ze overlegden een uitgewerkt plan waarin de waarde van de gebouwen was aangegeven. Toen de staatsregeling nog maar nauwelijks van kracht was, was de grote kerk al door drie katholieke taxateurs geschat op 11.300 gulden. De hervormden klaagden over partijdigheid van de schatters. Het was tegen de regel want de taxateurs van beide religies moesten vertegenwoordigd zijn. Er werd daarom een hertaxatie gedaan, waaraan ook een protestantse taxateur deelnam, en toen werd het gebouw aanzienlijk lager getaxeerd op 7.756 gulden. Het kerkgebouw en de pastorie werden in Deurne uiteindelijk door drie neutrale deskundigen, waarbij beide kerkgenootschappen vertegenwoordigd waren, samen getaxeerd op een waarde van 9.007 gulden.
De gewone reparaties en het witten van het kerkgebouw hadden de voorafgaande tien jaar gemiddeld jaarlijks ruim 164 gulden gekost, terwijl de inkomsten bestonden uit de volgende componenten:

  1. Renten en pachten die jaarlijks 25 gulden en 9 stuivers opbrachten.
  2. Een obligatie ten laste van het kantoor van de beden van 1.310 gulden tegen 3 % leverde jaarlijks 39 gulden en 6 stuivers op.
  3. De Commanderij van Gemert betaalde jaarlijks voor het onderhoud van het gebouw 80 gulden.
  4. De belasting op pot-, pan-, plavuis- en steenovens, samen met de verkoop van oude planken, oud lood enz,, de verhuur van mantels en baarkleed gaven inkomsten die de laatste tien jaar 1776 gulden 7 stuivers en 8 penningen waren.
  5. De lasten die op het kerkgebouw rustten, bestonden uit een jaarlijkse rente van 3 % op een lening van 150 gulden. Voor reparaties aan het kerkgebouw, salarissen van de secretaris en koster, beurloon van de rentmeesters en auditiegeld bij het opmaken van de jaarrekeningen werd in de laatste 10 jaar 1645 gulden 10 stuivers en 14 penningen betaald.

Per saldo was er dus in tien jaar een netto inkomen van 130 gulden 16 stuivers en 10 penningen, dit bedrag moest worden meegenomen bij de berekening van de vergoeding aan de protestanten.

Wat betreft het interieur stelden ze de gemeente voor om, voor zover die door een van de partijen zou worden overgenomen, de andere partij na een neutrale schatting naar rato te compenseren of anders publiek te verkopen. De protestanten stelden zich op het standpunt dat het meubilair in de kerk hun eigendom was.

Op 26 oktober 1798 beantwoordden de protestanten het katholieke verzoekschrift met het volgende schrijven:

Burgers,
Dat wij volgens u lieden resolutie van de 24e dezer tegens hodie (vandaag) voor U lieden geciteert zijn om met het rooms katholiek kerkgenootschap alhier een vergelijk aan te gaan over de naasting van het plaatselijk kerkgebouw en pastoriehuis dezer gemeente zo hebben wij gemeend u lieden daartoe van onzent wegen enige der noodzakelijkste punten tot accomodement in schribtis voor te stellen onder betuiging dat wij ons niet willen onttrekken aan voorslagen van een billijk vergelijk en zo verre als ons daardoor de gelegenheid niet benomen wordt ter uitoefening van onze openbare godsdienst welke ons zo zeer als ulieden ter harte gaat en tot welks onbelemmerde uitoefening ons de constitutie zelf dat recht verschaft en daarom mede onder de bescherming der wet gesteld wordt en alzo wij vooralsnog geen gelegenheid tot bekwame uitoefening van onze godsdienst kunnen uitvinden, zoo zou ons voorstel zijn
1. dat aan ons het koor der kerk, zoals we dat thans gebruiken, in plaats van een uitkering, voor een tijd van tien jaar, aanvangend primo november aanstaande, in gebruik werd gelaten.
2. Dat aan ons in eigendom wordt overgegeven preekstoel, stoelen, banken, boeken en al wat verder tot onze dienst hoort.
3. Dat ook het pastoriehuis en hof ter inwoning van de predikant gedurende de tijd dat hier ter plaatse de protestantse godsdienst zal kunnen worden uitgeoefend ten gebruike wordt afgestaan onder betaling van de gewone huur of dat aan ons in ruil voor het plaatselijk kerkgebouw en het pastoriehuis en hof wordt overgedaan het kerkenhuis en de pastoriewoning met de hof, zoals die thans bij het rooms-katholiek kerkgenootschap in gebruik is.

Of dat U aan ons kon doen geworden zodanige som van penningen, onderling te bepalen, waardoor wij zouden kunnen worden in staat gesteld een plaats tot erectie van een zodanig gebouw dat geschikt ware ter beoefening van onze godsdienst aan te kopen en op te richten. En dat inmiddels zo lang vrij gebruik van het plaatselijk kerkgebouw, zoals tot hier toe gehad hebben, wordt vrij gelaten zoals ook de bewoning en het gebruik van pastorie en hof.

Dit hebben wij gemeend U lieden eerbiedig te mogen voorslaan (voorstellen) en uw gunstige medewerking hierop te mogen verwachten, of dat bij verwijl van een of ander dit voorstel mede aan het wetgevend lichaam wordt ingezonden. Heil en broederschap.
w.g. A.H. Ross, A. van Noort, G. van Riet.

Bij de onderhandelingen gaven de protestanten te kennen dat ze, in afwachting van de bouw van een protestantse kerk, in ieder geval het priesterkoor graag wilden houden voor hun godsdienstoefeningen, maar dat bleek voor de katholieken onbespreekbaar te zijn. Als argument gaven ze dat is het voornaamste en luchtigste der ganse kerk, daar het ander gedeelte gans donker en dompig is, in het koor dat meeste licht geeft en het hoofd is van het gebouw en om de grootte niet kan gemist worden. Ook een ruiling van de grote kerk met de schuurkerk was in de ogen van de katholieken geen optie, de schuurkerk was immers uit afzonderlijke kasse gebouwd (door de katholieken zelf betaald).

De katholieken en protestanten konden niet tot een onderling vergelijk komen. Daarom besloot het gemeentebestuur om, conform het bepaalde in de staatsregeling, een uitspraak te vragen van het Vertegenwoordigend Lichaam. Op 26 juli 1799 nam de Eerste Kamer hierover een beslissing die op 9 augustus daarop volgende door de Tweede Kamer bindend werd verklaard. Daarin werden de volgende zaken vastgesteld:

  • Het kerkgebouw vertegenwoordigde een waarde van 7.756 gulden
  • De pastorie met de erbij horende hof werd geschat op 1.251 gulden
  • De inkomsten werden gekapitaliseerd op 636,25 gulden
  • Een obligatie op het kantoor van de beden 1310 gulden
  • Een schuld van 150 gulden
  • Het kerkhof werd geschat op 367 gulden

Daarmee werd de waarde van het kerkgebouw met de pastorie vestgesteld op 11.170,25 gulden. Deurne telde destijds 2299 katholieken en 52 gereformeerden, in totaal dus 2351 zielen. Per ziel vertegenwoordigde het gebouw dus een waarde van 4,75 gulden. De 52 protestanten ontvingen dus samen 247 gulden en waren hun kerkgebouw en pastorie kwijt. Over de inventaris van de kerk werd beslist dat die toekwam aan degenen die wettig bewijs konden leveren dat het hun eigendom was. Alles wat hoorde bij de viering van het Nachtmaal ging naar de gereformeerde gemeente, zonder dat ze de katholieken daarvoor hoefden te compenseren. Ten aanzien van het kerkhof was in de regeling het volgende bepaald:

Het kerkhof, waarvan volgens het hierboven blijkende de waarde, onder de uitkeringspenningen is gebracht, en deze met het beloop van dien zijn vermeerderd, zal blijven dienen tot een begraafplaats van alle lijken, zonder onderscheid, gelijk mede de begraafplaatsen in de kerk zelve, welke door aankoop, erfmaking of op eenige andere legale wijze, bij deze of gene mochten zijn verkregen, mochten worden geconsidereerd als derzelve wettige eigendom, zullende alzo de begraafplaatsen blijven ten gebruike van de wettige eigenaar, immers zo lang dienaangaande door een generale wet of dispositie niet nader of anders zal zijn voorzien.

Mogelijk gingen ook de katholieken in Deurne rond de overdracht van de grote kerk niet altijd even piëteitvol om met de protestantse graven om, maar concrete aanwijzingen daarvoor hebben we niet.[1] Op maandag 25 november 1799 werd het kerkgebouw met de daaraan verbonden bezittingen en schulden formeel overgedragen aan de katholieken. De pastorie kwam op 1 mei 1800 aan het katholieke kerkgenootschap. In het register van besluiten van het Deurnese gemeentebestuur is met betrekking tot de overdracht ook een brief van de protestanten aan de katholieken toegevoegd, waarin zijn onder punt 2 stellen: Nopende Ulieder aanbod van klinkende munt pretendeeren de Protestanten geenen penning. Ze droegen wel de kerk over maar weigerden blijkbaar daarvoor geld te ontvangen. Zij lieten aan de gemeente over om te bepalen welke zaken aan hen teruggegeven zouden worden en leverden twee lijsten in van goederen waarop zij meenden aanspraak te kunnen maken. Ze mochten beschikken over vier lossen banken, een tafel met boeken en allen was tot de viering van het avondmaal hoorde.

Ter gelegenheid van het herkrijgen van de grote kerk door de katholieken werd het volgende gedicht geschreven, waarvan Ouwerling vermoedt dat het van de hand van pastoor Swinkels is.

1.

Christenen in het gemeyn,
Laat ons indagtig zyn,
Dat zoo meenig mensch
Heeft geleeft by dezen wensch,
Ag dat God dog gaf
Eer ik gaan naar het graf,
Dat de Parochie kerk,
Ons eerste voor Ouders werk,
Mogt zijn van protestant ontblood,
Van alle tegenstryding snood.

2

Ziet nu Christene mensch
Nu komt gij tot uwen wensch,
Want ziet nu den tijd,
Den Protestand nemt zyn afscheid,
Uit dit schoon Gebouw,
Voor de Roomsche rust behouw,
Die hebben het oog gestigt
Haaren Gods-dienst daarin verrigt.
Maar wij door Protestanten trijn
Daer uyt verdreven zijn.

3

Wy leeven nu den tyd
Die ons hart en ziel verblyd
Over zeventhien honderd jaar,
Negen en negentig aldaar
Op S. Catharina dag,
Men in de Kerk zag,
Den Bybel wierd gehaald
Den tyd was zeer wel bepaald.
Dat haar meubeld moeste van kand
't H. Kruys word daar gepland

4

Het is nu voorwaar,
Ontrent honderd en vyftig jaar
Een ander Leering ingerukt
De Roomsche Leering wierd verdrukt
Tot ons leet en spijt,
Word ons die plaats ontzeyt,
Misschien voor ons zond' geplaagt,
Door toelaaten Gods uitgejaagd
Maar den Heere Prediekand,
Heeft nu gedaan afstand.

5

Komt Protestanten te gaar,
Voegt u by de Roomsche schaar,
Al zijt gy afgedwaald,
Aanhoord Gods woord, dat niet en faalt.
Die ons alle roept tot Hem,
Aanhoord nu zyne stem
Komt alle tot mijn
Die belast en belaaden zijn.
Met traanen op uw aanschijn,
Ik zal uwen trooster zijn.

6

Aanhoort die Roomsche Trom,
Roept alle disserteurs weerom,
Die hier zijn uitgegaan,
Aanhoord Gods woord tot ons
vermaan, in deesen Wyngaard,
Tenzy gy word gevoed
Met myn Vleesch en Bloed,
Geen leven is in u
Begeeft u tot Gods Kerk nu,
Eer gy van God in Eeuwigheid
Zult zyn vermaaledeyd.

7

Komt nu al te gaar,
Knield neder voor Gods Altaar
Die uwen God bekend,
In het heylig Sacrament,
Het is zyn Vlees en Bloed,
Dat ons spijzen moet,
Op dees werelds baan,
Om kloekmoedig voort te gaan,
Tot dat hy ons roepen zal hier naar
By zyn bekroonde schaar.

8

Komd nu Roomschen te gaar,
Voegd u gebeden by malkaar,
In dees Parochiekerk
Steld u neerstig in het werk,
Eenen schat vergaard,
Die u na deezen tijd,
Diend tot een Zaalige Eeuwigheid.
Roept u Broeders die leedig staan,
Dat zy dog met u gaan.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Hier dient wel opgemerkt te worden dat hetgeen de schrijver in De Willibrorduskerk belicht op bladzijde 59 verhaalt over het vermorzelen van de lichamen van - soms pas begraven - protestanten niet in Deurne maar in Oerle heeft plaatsgevonden.