Welkom op DeurneWiki - de encyclopedie voor de gemeente Deurne

U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

Geologie

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Ga naar: navigatie, zoeken

Zie ook Buntse Kei, Jaap van de Leijsing, Peelrandbreuk, Steenkool(boringen), Veenvorming


De Deurnese bodem is uit heel wat soorten grond samengesteld. Behalve dat het hoofdzakelijk uit vrij grof zand bestaat vindt men soms vrij dicht aan de oppervlakte grindgronden van kwartsietsteentjes en leemlagen, die zuidoost-noordwest lopen. Verder treft men (in de zgn. Formatie van Veghel A) ook grote blokken kwartsiet aan, zgn. zwerfkeien, waarvan de grootst bekende circa 1750 kg weegt. Deze werd onder Liessel gevonden en is bekend als Jaap van de Leijsing.

Uit de verschillende zanden en grinden, die door hun samenstelling onderling nogal verschillen, leert men het nodige over de bodemvorming. Nadat de zee in het Plioceen onze omgeving verlaten had voerden de rivieren afzettingen aan, die vooral een grote dikte bezitten in het gebied van de Roerdalslenk (westelijk van de Peelhorst), terwijl ten oosten hiervan minder dikke pakketten van dit pliocene materiaal aanwezig zijn.

De Rijn, die naar het schijnt gedurende het laatste gedeelte van het Plioceen zich niet in deze streken vertoond had of mogelijk de Roerdalslenk volgde, begon in het begin van het Kwartiair (circa 1 miljoen jaar geleden) weer afzettingen neer te leggen in de gebieden aan weerskanten van de Peelschol. Mogelijk heeft de Rijn ook op de Peelschol zijn zanden en grinden afgezet, die echter later door de Maas werden verwijderd. In die tijd werden behalve zanden en grinden, op rustige plaatsen, ook kleien afgezet. Dit laatste is vooral gebeurd in de Günz-Mindel-tijd door lokale riviertjes, die wat ons gebied betreft, zand aanvoerden uit het terrein van de Peelschol. Toen in de Mindel-tijd de Rijn mogelijkerwijze gedurende enige tijd een andere loop koos, kreeg de Maas hier vrij spel. Dat ging een paar keer over en weer met de Rijn, waarbij de zgn. zones van o.a. Budel, Woensel en Weert werden gevormd. Vooral de Maas zette daarbij veel grinddiluvium af.

Later (Mindel-Riss-tijd) scheidden zich de Rijn en Maas door een heuvelrug en bleef voor onze omgeving de Maas alleen over, die vooral tussen de Peelrandbreuken haar afzettingen neerlegde (zone van Veghel) en de vroeger neergelegde Rijnzanden verwijderde.

In de Riss-tijd (circa 230.000 jaar geleden) ontstond als gevolg van zgn. tektonische bewegingen in onze omgeving grote zuidoost-noordwest verlopende storingen. Het gebied binnen deze storingen, dat nu de Peel heet, kwam relatief een eindje omhoog, gebieden ten westen en oosten daarvan werden lager. Zo ontstonden resp. de Peelhorst, de Centrale Slenk en de Slenk van Venlo. Door die storingen werd de Maas gedwongen haar loop naar het oosten te verleggen. Sedert dat moment is de Maas niet of nauwelijks meer van haar plaats geweest.

Die storingen werken blijkbaar thans ook nog, omdat de begrenzing van het hoge gebied nagenoeg met hen samenvalt. Verder wijzen de aardbevingen van o.a. november 1932 en bij Roermond op 13 april 1992 om 03.20 uur 's nachts erop, dat de westelijke Peelrandbreuk nog een labiele zone in de aardkorst vormt.