U steunt de heemkundekring door lid of vriend te worden.
We zijn weer op afspraak en onder voorwaarden op woensdagochtend
van 10 tot 12 uur in het heemhuis. Maak hier je afspraak..

Manifest van 21 februari 1945

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Negen vooraanstaande inwoners van Deurne schreven en verspreidden het Manifest van 21 februari 1945. Met het strooibiljet dat gericht was “aan de bevolking van Deurne” werd waarschijnlijk de kiem gelegd voor de pennenstrijd die gaandeweg tussen de Deurnesche Courant en Het Licht ontstond en meer dan twee jaar zou duren.

Aanleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Na de bevrijding van Deurne was de toestand in de gemeente Deurne uiterst verward. Laster en verdachtmaking waren aan de orde van de dag. Een groep van negen vooraanstaande inwoners was het niet eens met het door burgemeester Lambooy gevoerde beleid gedurende de 4 1/2 jaar durende Duitsche bezetting. De groep, bestaande uit J.C. van Beek ( oud burgemeester - lid van Gedeputeerde Staten) ), G. van Benthem (P.T.T.ambtenaar en oprichter van Radiocentrale Deurne), J.A.H. Berkvens (tandarts), M. Hendriks (oud illegaal en redacteur van de De Vrije Pers en de Deurnesche Courant), F.R. Schreurs (hoofd van de landbouwschool ), A.J.M. Stok (makelaar), L. te Strake (fabrikant), J.A. Tromp (notaris) en H. Wiegersma (huisarts) bracht de in hun ogen “onvaderlandsche en onnederlandsche houding” van de burgemeester ter kennis van het Militair Gezag met het verzoek de burgemeester in de uitoefening van zijn functie te staken of te schorsen.

De volledige en letterlijke tekst van het manifest[bewerken | brontekst bewerken]

Aan de inwoners van Deurne
“HET IS GEEN GEHEIM, DAT ER IN Deurne een strijd gaande is, die zelfs niet meer een stille strijd genoemd kan worden. Het is de hoogste tijd, dat eindelijk eens openhartig wordt gesproken, om recht te zetten wat krom getrokken is en om eindelijk ons dorp die rust te geven, die het zoo zeer noodig heeft; een rust zonder welke een goede opbouw en samenwerking niet mogelijk zijn. Het is niet voldoende, dat van alle kanten geprobeerd wordt met „verdraagzaamheid", „elkaar dienen" en al dergelijke mooie leuzen, een probleem op te lossen, dat zich door mooie woorden of doodzwijgen niet laat oplossen.
De kwestie, het vliegveld de Rips", want dat is het waar alles om draait, is geen persoonlijke zaak, het is ook geen Deurnesche zaak, het is een vaderlandsche aangelegenheid, die ons geheele volk raakt. Zoo het mogelijk zou zijn of zoo het zou gelukken de kwestie „de Rips" in Deurne het zwijgen op te leggen, zij zou toch in andere plaatsen van ons land opnieuw ter sprake worden gebracht en wel zoolang totdat de oplossing zou zijn gevonden. Ons Vaderland bloedt uit vele Wonden, wonden geslagen door een vijand, die lacht en spot met elk begrip van recht en vrijheid, met elk begrip van fatsoen en rechtvaardigheid. In den bezettingstijd had iedereen den plicht het Vaderland te dienen door den vijand zooveel mogelijk tegen te werken. Voor deze tegenwerking bestonden geen algemeen geldende of bindende voorschriften; eenieder moest vaak naar eigen inzicht handelen. Zoo ontstonden er vanzelf verschillende inzichten over bepaalde daden en dingen, die de eene anders zou hebben gedaan dan de andere en al mogen hier en daar enkele verwijten vallen over daden, die de eene zus en de ander geheel anders en mogelijk veel beter zou hebben gedaan, deze verwijten raken nooit den kern van datgene wat algemeen als fout gold. Vrijwel iedereen in het land beschouwde als positief fout o.a.:
  1. e. Het aanwijzen van menschen voor tewerkstelling ten behoeve van den vijand.
  2. e. Het aanwerven van menschen voor tewerkstelling voor den vijand.
  3. e. Het vrijwillig gaan werken voor den vijand anders dan als bittere noodzaak ten aanzien van eigen lijfsbehoud.
  4. e. Zwarte handel ten bate van den vijand of winstbejag.
  5. e. Het uitbreiden van bedrijven of zaken, welker uitbreiding den vijand nuttig kon zijn.
  6. e. Den vijand vragen om legerorders.
  7. e. Het opvoeren van de productie ten behoeve van den vijand.
  8. e. Het snelle afleveren van goederen ten behoeve van den vijand.
  9. e. Het tegengaan van sabotage ten gunste van den vijand.
  10. e. Het ontslaan van personeel ten gunste van den vijand.
Bovendien, hebben wij niet telkens en telkens weer, door de radio uit Londen gehoord, dat aanwijzen onder alle omstandigheden fout was en dat de aangewezenen niet moesten gaan werken maar onderduiken?
Hebben wij niet telkens en telkens weer door de radio uit Londen gehoord dat aanwerven, het zoogenaamd ronselen van vrijwilligers ten behoeve van Duitschen arbeid gelijk staat met landverraad?
Hebben wij niet telkens en telkens weer, door de radio uit Londen gehoord, dat vrijwillig gaan werken ten behoeve van den vijand fout was?
Wat gebeurde er nu te Deurne?
De burgemeester, klaar om onder te duiken vanwege de kwestie Zeeland, zag plotseling in het vliegveld de Rips een oplossing om uit de impasse te geraken, liet toen een goed principe vallen en wees om te beginnen vijftig jonge mannen, jaarklasse 1924, aan voor een week werk op het duitsche vliegveld de Rips, met de bedoeling elke week vijftig nieuwe mannen aan te wijzen. Slechts weinigen gaven gevolg aan den oproep en door het uitblijven van een autobus was er geen vervoer en verliep de eerste oproep.
Tengevolge van de algemeene verontwaardiging van de ingezetenen van Deurne durfde de burgemeester niet voor de tweede maal aan te wijzen en riep toen via aanplakbiljetten vrijwilligers op. Zooals te voorzien was, meldde zich niemand. De menschen en vooral de gewone arbeiders waren toen nog niet bepraat en voorgelicht, hoewel links en rechts gemompeld werd, dat er moeite gedaan was om vrijwilligers bij elkaar te krijgen. Hoe het ook moge zijn, niemand meldde zich.
Inplaats van onder te duiken liet de burgemeester zich toen door de Duitschers gevangen nemen, op een manier die iedereen erg komiek vond. Denzelfden dag van deze gevangenneming vond er bij den heer Hub van Doorne een vergadering plaats om vrijwilligers bij elkaar te krijgen, want de burgemeester moest en zou vrij. De losprijs bedroeg vijftig arbeiders per week. Een paar stemmen die tegen aanwerven van vrijwilligers waren, vonden geen gehoor en zoo toog men er op uit om zooveel mogelijk arbeiders te bewegen vrijwillig op de Rips te gaan werken. Helaas, het goede standpunt, dat menige arbeider had ingenomen, toen er per aanplakbiljet vrijwilligers werden gevraagd en men zich niet meldde, werd verlaten toen er voorlichting kwam van menschen, die door ambt of, grootgeldbezit meenden op een hooger plan te staan en zich geroepen voelden in deze leiding en voorlichting te geven. Jammer, want menig arbeider had omtrent recht en eer voor ons Vaderland een veel zuiverder opvatting dan diegenen, die tot aanwerving overgingen. Het is den arbeider niet kwalijk te nemen dat hij bezweek, vermeende razzia's, het oppakken van gijzelaars, gruwelverhalen en het medelijden met den burgemeester werden naar voren gebracht, terwijl bovendien enkele middenstanders, hoofdambtenaren in dienst der gemeente en anderen het voorbeeld zouden geven door de eerste dagen vrijwillig te gaan werken.
En zoo kon men Maandag 26 Mei 1944, als gold het een pleziertochtje, een stelletje uitgelaten mannen zien vertrekken om een beschamend werk vrijwillig uit te voeren. Des avonds kon men na afloop van dit werk op de markt de comedie aanschouwen, dat precies op hetzelfde moment, dat de autobus met de vrijwilligers aankwam ook de burgemeester met den heer van Doorne per luxe auto van zijn gevangenneming terugkeerde om direct met een breed gebaar op de werkwilligen toe te stappen en hun te bedanken zooals „de Roskam destijds schreef: „voor de offervaardigheid".
Bij het lezen van deze toedracht zal elk rechtgeaard Nederlandsch Burgemeester, Industrieel, Middenstander, Arbeider of wie hij ook moge zijn, zijn bloed naar het hoofd voelen stijgen en zonder meer bereid zijn een dergelijke slappe houding af te keuren. De voorbeelden, hoe het anders kon, zijn legio in den lande. Nergens in het Vaderland is men ten behoeve van één enkel persoon vrijwillig voor den vijand gaan werken en er zaten toch wel heel wat belangrijker mannen gevangen dan de burgemeester van Deurne.
Hoe men de feiten ook wil draaien of keeren, deze feiten, zij spreken voor zichzelf, zij hebben niets te maken met dorpsruzietjes, die overal voorkomen. Het doet er ook niet toe wie deze feiten naar voren brengt, want deze feiten klagen zelf aan.
In Deurne zijn ten opzichte van het Vaderland groote fouten gemaakt, maar wanneer degenen, die deze fouten hebben gemaakt na de bevrijding een houding hadden aangenomen, alsof zij met zichzelf geen raad wisten, of wanneer zij tenminste ronduit deze fouten erkend hadden, dan hadden zij wellicht gedaan wat Antoon Coolen terecht in een zijner artikelen schreef: „Wie voor den vijand moest doen werken en door het zoeken van behendige compromissen hem terwille was, hij trede nu liever terug, nu wij den rouw nog dragen der indrukwekkende rij van hen die vielen onder verraderlijke kogels omdat zij weigerden."
Wanneer zij zich zoo hadden gedragen, dan zouden er deze fouten niet minder om zijn geweest, maar eenieder zou gezegd hebben: „Hoe jammer dat dit in ons goede dorp is gebeurd en men was in afwachting van wat de bevoegde instanties zouden doen, bereid geweest tot vergeven en vergeten. Want ons gaat het niet om de bestraffing, hierover hebben wij niet te beslissen, al vinden wij het raar, dat de eene wel en de andere niet om dezelfde redenen gehandhaafd blijft; ons gaat het erom wie juist gehandeld heeft, zij die onder alle omstandigheden weigerden en niet aanwezen, niet aanwierven en niet vrijwillig gingen werken of zij die zulks wel deden. Hebben de eersten gelijk en is het gebeurde in Deurne geen fout, dan heeft de rest van het volk een zeer groote fout gemaakt door niet meer toegevend tegen den vijand te zijn. Als het begrip „Vaderland" een zoo goedkoop artikel is dat hiermede tot in het oneindige gemarchandeerd kan worden, waarvoor dan al die ellende met de studenten die slechts een handteekening behoefden te zetten, waarvoor dan al die ellende met de spoorwegarbeiders, met de doktoren, met de officieren en met al die mannen en vrouwen die alles verloren hebben of alles in de waagschaal stelden om hoogere beweegredenen, beweegredenen die, als het geval de Rips als goed wordt beschouwd daardoor belachelijk worden gemaakt. Maar het is niet goed wat in Deurne is gebeurd, het kán niet goed zijn.
Uit de graven van hen die gevallen zijn, schreeuwt het ons tegemoet: „Het is niet goed, het is niet goed, wij gaven ons leven in ons werk tegen den vijand en niet ten bate van den vijand. Wij dienden het Vaderland en offerden onszelf." Als wij het geval de Rips goedkeuren hoe wilt gij U dan straks verantwoorden tegenover die familieleden onder ons die nu nog gevangen zitten? Hoe wilt gij U verantwoorden tegenover al onze vrienden boven de rivieren, die ook nu nog bereid zijn goed en bloed te offeren? En hoe wilt gij U verantwoorden tegenover het geheele Nederlandsche volk dat juist zijn kracht put uit de fierheid van hen, die een voorbeeld waren? Nogmaals, de geruchten over vermeende razzia's, gijzelaars enz, doen niet ter zake. Andere plaatsen hebben dit ook moeten doorstaan. Het ging nu eenmaal niet om Deurne, ook niet om een burgemeester, het ging om de houding tegenover het Vaderland. Bovendien, Deurne had het ten opzichte van vele andere plaatsen erg gemakkelijk. Er waren geen fanatieke N.S.B.-ers en ten aanzien van winterhulp, bioscoop, Nederlandsche volksdienst, arbeidsdienstkampen had de burgemeester geen houding aangenomen die geacht moest worden aanleiding te zijn tot krachtig ingrijpen der duitschers. Deze en gene in Deurne ergerden zich hier misschien over, maar over het algemeen had men geen kritiek ook al vond men de houding van den burgemeester verre van krachtig en die van anderen niet bepaald anti-duitsch; op alle slakken werd geen zout gelegd, zooals sommigen het wel willen doen voorkomen, zelfs niet toen in de dagen der Mei-staking van 1943 een zestal jonge boeren werd gearresteerd; zeker zij kwamen weer vrij, maar het arrestatiebevel was intusschen uitgevoerd. Men had niet veel kritiek zelfs niet op het bestuur van de Harmonie, welk bestuur ten bate van de kas der vereeniging uitvoeringen organiseerde door cultuurkamergezelschappen te laten optreden in een tijd toen Jan Musch, een onzer toneelspelers, als een verlatene door Deurne liep. Schipperen en nog eens schipperen dat was het leidmotief. De maat was echter vol, meer dan vol, toen het aanwijzen en aanwerven en het vrijwillig gaan werken voor den vijand begon. De maat loopt nu echter over nu zij, die ten behoeve van den vijand daden verrichtten die elk rechtgeaard Nederlander moet afkeuren, zich overal tusschendringen, functies aanvaarden, die anderen meer waardig zijn en anderen een zeker initiatief willen ontnemen. Dit wordt thans niet meer geduld; zij hebben te zwijgen en af te wachten, want zij waren in den bezettingstijd een ergerlijk voorbeeld op velerlei gebied. Zij spreken nu van communisten, maar kweekten in den bezettingstijd zij niet het werkelijke communisme die, toen armoede en ellende overal welig tierden zich nog de grootste luxe veroorloofden?
Eenieder heeft zijne gebreken, ook onze daden mogen gewogen worden. Men kan nu eenmaal nooit genoeg voor het Vaderland doen en men wordt in deze beoordeeld niet naar hetgeen men goed deed, maar juist naar hetgeen men verkeerd heeft gedaan. Zij, die de grofste fouten maakten en daarbij nog een toon aanslaan alsof zij het Vaderland een dienst bewezen, dienen te beseffen dat wel het allerminste wat men van hen kan verlangen is, hun fouten ronduit te erkennen. Ja, wij eischen dat zij hun fouten erkennen, dit is noodig niet alleen voor Deurne, maar voor het geheele Nederlandsche volk.
Volk van Deurne, wilt gij den blaam die door enkelen op ons dorp is geworpen verwijderen, wees dan niet bang voor dezen of genen, bezwijk niet voor geld of mooie woorden, maar erken ronduit met ons dat hier fouten zijn gemaakt. Door dit te doen dient gij het Vaderland en erkent gij, dat ons arme volk boven de rivieren, dat ook nu nog onder de zwaarste beproevingen van den vijand van geen buigen wil weten, die liefde voor ons land bezit die in bange uren om de juiste houding vraagt.”

Militair Gezag[bewerken | brontekst bewerken]

Majoor Verhoeff van het Militair Gezag verklaarde in een persoonlijk onderhoud met een afgevaardigde van de Deurnesche Courant dat hij het publiceren weliswaar niet wenselijk achtte maar dat hij voor dit geval niet wilde ingrijpen in de persvrijheid en dus geen gebruik zou maken van zijn bevoegdheid om de publicatie te beletten. Van de haar gelaten vrijheid om het stuk te publiceren, maakte de Deurnesche Courant gebruik en publiceerde de tekst van het manifest op de voorpagina van haar 5e editie, die van 23 februari 1945. [1]

Toeval of niet, feit is dat deze 5e editie NIET werd uitgegeven door Noud van den Eijnde, de uitgever van de eerste vier edities van de Deurnesche Courant. Tot ongenoegen van de mensen achter dat weekblad had Van den Eijnde inmiddels de overstap gemaakt naar concurrent Het Licht waarvoor hij vanaf de 5e editie, die van 17 februari, als uitgever optrad. Nadien werd de Stichting Het Deurnesche Persfonds opgericht dat de juridische entiteit vormde waarmee de Deurnesche Courant in het vervolg aan het rechtsverkeer deelnam.

Schotschrift[bewerken | brontekst bewerken]

Een week later circuleerde in Deurne een anoniem en ongedateerd schotschrift[2] met onderstaande letterlijk overgenomen aanhef:

BURGEROORLOG IN DEURNE
AAN DE INGEZETENEN DER GEMEENTE DEURNE
“In de afgelopen week hebben we in de "Deurnesche Courant" een artikel kunnen lezen, onderteekend door enige zgn. vooraanstaande ingezetenen die een opelijke aanklacht publiceerden tegen onzen eminenten Burgemeester Mr. R.J.J. Lambooy te Deurne.
De aanklagers gaan blijkbaar van het standpunt uit dat zij als goede Vaderlanders het vertrouwen der ingezetenen hebben. Niets minders alsdat is waar en zeer tercht. Daar hebben de Heren gedurende de bezettingstijd maar al te zeer blijk van gegeven. Wij zullen ons voorlopig beperken tot de volgende feiten die omtrent de Heeren onderteekenaars bekend zijn geworden:”

Vervolgens werden alle ondertekenaars, ook op alfabetische volgorde, in het pamflet (A4) op smadelijke en een weinig subtiele manier aangevallen met laster en verdachtmakingen om te eindigen met:

“Inwoners van Duerne, werkt niet mee aan deze gezagsondermijning, maar toont een open hart voor datgene wat rechtvaardig is.

Tot spoedig luisteraars. Verspreid dit onder vrienden en kennissen.”

Boycot[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog, op 11 juli 1945 om precies te zijn en na het Koninklijk Besluit van 12 april 1945, werd met de installatie van een nieuwe tijdelijke raad de draad in Deurne weer opgepakt. Het voorlopige bestuur van de gemeente Deurne werd gevormd maar de eerste raadsvergadering werd pas op 31 oktober van dat jaar gehouden. Tijdens deze vergadering, waarbij het raadslid (en redactiemedewerker van de Deurnesche Courant) M. Hendriks niet aanwezig was, vroeg het raadslid Wijnen aan de voorzitter waarom de "Deurnesche Courant" niet aan de perstafel uitgenodigd was. In haar editie van 3 november 1945 gaf Het Licht, wel uitgenodigd voor de vergadering, het antwoord van burgemeester Lambooy “om de grote belangrijkheid voor alle gemeentenaren in extenso weer.” De letterlijke tekst luidde aldus:

„Waarom is de „Deurnesche Courant" niet uitgenodigd?" Indertijd is er in bedoelde courant een manifest verschenen. Vóór dit werd afgedrukt heb ik een schrijven ontvangen van het Militair Gezag, inhoudende, dat het in het belang van de orde en rust beter was dat het niet gepubliceerd werd, aan de redactie en uitgevers van „de Deurnesche Courant" en van „Het Licht" heb ik vermeld schrijven doorgezonden met het gevolg, dat „Het Licht" het manifest niet publiceerde, doch de „Deurnesche Courant" dit desondanks toch deed. Als een courant onder deels nog oorlogsomstandigheden zich van een dergelijk verzoek van het Mil. Gezag niets wil aantrekken, dan negeer ik die courant. Verder wordt in die courant getracht door artikelen, deels van een mijnheer. die met Deurne heel weinig uitstaande heeft, onrust te veroorzaken en de bevolking op te zetten tegen enige personen en zulks op een infame wijze en zonder enige reden, daarbij wetende, dat het geschrevene niet waar is, of zo men dit niet weet, men zulks met heel geringe moeite kan te weten komen. Dit zijn de redenen waarom B. en W. besloten hebben om geen medewerking te verlenen aan zo'n courant.

Waarop het raadslid Wijnen verklaarde dat het niet uitnodigen van de "Deurnesche Courant" naar zijn mening in strijd met de grondwet was.

Onder de kop “Sabotage van de persvrijheid” kwam Antoon Coolen met een vernietigende reactie op de voorpagina van de Deurnesche Courant van vrijdag 9 november. In een separaat artikel op diezelfde pagina, onder de kop “Een raadsverslag”, werd de inhoud en de structuur van het verslag door Coolen totaal afgekraakt / de grond in getrapt. Hij verwoordde zijn afkeuring van het verslag onder andere zo:

“Het Licht maakt zijn pretentieusen naam zelf tot een aanfluiting. Met meer reden en meer overeenkomstig zijn aard en karakter kon het zich de roetige vetkaars noemen, of de walmende lamp.”

In de afsluitende tekst werd, zonder een naam te noemen, de auteur/redacteur van Het Licht als een “brekebeen” weggezet.

Gekrenkt[bewerken | brontekst bewerken]

Op vrijdag 29 Maart 1946 hield de tijdelijke Raad der gemeente Deurne haar eerste vergadering van dat jaar. Om even over half vier opende de Voorzitter de vergadering op de gebruikelijke wijze. Waarna hij een kort overzicht gaf over het afgelopen jaar en alle raadsleden en hun gezinnen zijn beste wenschen aanbood voor het komende jaar. De vertegenwoordiger van de "Deurnesche Courant" was aan de perstafel toegelaten. Op de vraag van de heer Berkvens of dit ook in de toekomst voortaan zo zou blijven, antwoordde de Voorzitter bevestigend en “zeide verder dat de wisseling van de redactie tot dit besluit geleid had.” [3] Op de vraag of aan de “Deurnesche Courant" ook voortaan de gemeentelijke publicaties zouden gegeven worden antwoorde hij dat “hierover nog geen beslissing genomen was”. Harry Swinkels, tot voor kort werkzaam als redacteur bij de Deurnesche Courant, voelde zich door de motivatie van de burgemeester zeer gekrenkt en zond hem een brief met onderstaande letterlijke tekst: [4]

Edelachtbare Heer,
Het was een pijnlijke gewaarwording voor mij, in het verslag der laatste raadsvergadering te moeten lezen, dat door verandering der redactie, het aan de Deurnesche Courant was toegestaan voortaan aan de perstafel te mogen aanzitten. Deze woorden waren door U edele gebruikt om aan een voldongen feit een verklaring te geven. Ik voel mij door deze woorden gekrenkt. Want gedurende den tijd dat ik de Deurnesche Courant redigeerde, meen ik naar beste weten het beste voor Deurne te hebben nagestreefd en dat dat aan U edele niet altijd aangenaam was, kan ik me best begrijpen. En ik kan niet anders dan het betreuren, dat het volk van Deurne door den mooien schijn van enkelen de ware toedracht der dingen niet wil gelooven. Met Deurne heb ik afgedaan en kan hierom slechts verheugd zijn, daar de bekrompenheid en kleinzieligheid er zoo'n hoogtij vieren, dat elk die er vreemd is er een afschuw van heeft. Hiermee heb ik U mijn gevoelens kenbaar gemaakt en moge het de Deurnesche Courant gegeven zijn eens datgene wat recht is en met geweld wordt krom getrokken, weer in het gelid te brengen en moge Deurne eens lachen om zijn eigen onnoozelheid.
Hoogachtend, HARRY SWINKELS, Redacteur Dagblad "De Stem", Bijkantoor Waalwijk.[5]
Bronnen, noten en/of referenties
  • “Manifest van 21 februari 1945” (werd op donderdag 16 november 2017 als document / strooibiljet aangetroffen in het archief van mevrouw Corry Coene-Wijnen in Houten (Utrecht), een kleindochter van raadslid Wijnen.
  • ”Rapport Deurne” Dit ongedateerde document waarin bovendien de naam van de auteur niet wordt genoemd bevindt zich in de documentatie van de Landbouwschool Deurne, waarschijnlijk afkomstig uit de collectie van dhr. Schreurs, directeur van die school, of van dhr. J.C. van Beek, lid stichtingsbestuur van die school. De tekst is tevens terug te vinden in Docu-Data-Deurne.
  • Digitaal Krantenarchief Deurne (waarin alle edities van de Deurnesche Courant en Het Licht zijn opgenomen).
  1. Volgens het boek 'Circus Kruls': Militair Gezag in Nederland, 1944–1946 / D.C.L. Schoonoord. – 2001 (890 pagina’s) had kapitein der artillerie J.A. Ruys door bezoeken geleerd dat er zowel geluiden pro als contra burgemeester R.J.J. Lambooy waren. In tegenstelling tot andere manifesten bleef het manifest van de negen Deurnenaren in het boek echter onvermeld!
  2. Een kopie, waarvan de letterlijke tekst is terug te vinden in Docu-Data-Deurne, werd in mei 2012 beschikbaar gesteld door Theo Vosmeer. In augustus 2014 dook een 2e exemplaar op in de Oudheidkamer van Heemkundekring H.N. Ouwerling.
  3. Hierbij doelde de burgemeester op het feit dat er in het voorjaar een redactiewisseling bij de Deurnese Courant had plaatsgevonden. De heren Swinkels en Schenk vertrokken en de heer Krämer kwam
  4. “Opdat eenieder wete, wat ik den Edelachtbaren Heer Burgemeester had te zeggen, moge ik U verzoeken, dezen brief in Uw blad, dat mijn volle sympathie heeft, op te nemen. Bij voorbaat mijn hartelijken dank voor de plaatsruimte”. De redactie gaf gehoor aan dit verzoek en publiceerde de tekst op de voorpagina van de editie van vrijdag 26 april 1946
  5. Op het moment dat Swinkels deze woorden schreef kon hij nog niet bevroeden dat de heer Lambooy een paar maanden later in zijn nieuwe woonplaats Waalwijk als burgemeester geïnstalleerd zou worden!