U steunt de heemkundekring door lid of vriend te worden.
Tot nader bericht geen woensdagochtendbijeenkomsten in het heemhuis.

Reglement voor het Zangkoor van Liessel

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het reglement voor het zangkoor van Liessel werd op de feestdag van Sint-Cecilia, 22 november 1873, door pastoor Bussing opgesteld en bevindt zich in het parochiearchief van Liessel.


Onderstaande tekst van het reglement is letterlijk overgenomen.

  1. De leden van het Zangkoor zijn bij de uitoefening van hunne Kerkelijke diensten aan den Pastoor alleen ondergeschikt. ( art. 22 Algemeen Regelement)
  2. Zij worden door den Pastoor aangesteld en ontslagen, hunne beloning wordt op voordragt van den Pastoor door het Kerkbestuur geregeld. (Art. 22 Algemeen Regelement pag. 154)
  3. Dien tengevolge regelt de Pastoor alles wat betrekking heeft tot het Koor, zodat er niets zonder zijne voorkennis of uitdrukkelijke toestemming mag geschieden.
  4. Niemand wordt als Koorlid toegelaten tenzij behoorlijk geëxamineerd en door den Pastoor goedgekeurd.
  5. Om lid van het Koor te kunnen worden en blijven, worden er vereischt een goed en onbesproken gedrag, grondige kennis van het Gregoriaansch en minstens middelmatige Kennis der Muziek. (zie Provinciaal Concilie)
  6. Om definitief Zanger te zijn, en in alle de voorregten der Zangers te kunnen deelen moet men aan twee gevorderd wordende examens behoorlijk voldaan hebben.
  7. Mogt het blijken dat Zangers die hun examen hebben afgelegd, de Zangoefeningen verwaarlozen en in plaats van vooruit, teruggaan in de Zangkunst, zullen zij tot een nieuw examen kunnen worden opgeroepen en bij bevinden van onbekwaamheid ophouden deel van het Koor uit te maken.
  8. Ter voorkoming van de hier voormelde onaangenaamheden, sullen er in de Wintermaanden wekelijks minstens eens, en in de Zomertijd van tijd tot tijd Zangoefeningen gehouden worden voor welke er verzuimboeken zullen bepaald worden. (vergelijk Art. 4)
  9. Het zal den Pastoor als Hoofd Directeur van het Koor altijd vrijstaan dezen of genen sijn handeling te overleggen. (vergelijk boven Art. 22)
  10. Al wie deze Regelementen of iets wat betrekking heeft met de verordeningen van het Koor, na hierover vermaand te zijn door den Pastoor of zijnen Zaakgelastigde, moetwillig zal blijven overschrijden, zal daarvoor alleen, zonder verdere waarschuwing ophouden lid van het Koor te zijn.
  11. De geringste oneerbiedigheid wordt ten strengste op het Koor verboden en wanneer iemand na hierover behoorlijk gewaarschuwd te zijn hierin mogt voortgaan zal deze eene genoegzame reden zijn hem verder den toegang tot het Koor te ontzeggen.
  12. Zonder toestemming van den Pastoor worden er genen vreemdelingen op het Koor toegelaten, alleen de aangenomen Zangers van andere Kooren en Theologen maken hierop een uitzondering.
  13. De zangbeurten, boeken enz. zullen onder de goedkeuring van den Pastoor verzegeld worden.
  14. Alle twisten en onvrijelijkheden van welken aard dan ook zullen aan het oordeel van den Pastoor onderworpen worden, die dan ook
  15. De organist met de voorzanger regelt den zang bij de H. Dienst gebruikelijk waarbij alles wat wereldsch is en de Godsvrucht der gelovigen zou kunnen storen met nauwgezetheid zal vermeden worden.
  16. Geen teerdagen worden toegestaan als die welke vooral gebruikelijk zijn ter gelegenheid van het Patroonsfeest der H. Cecilia en wel in dier voege als voor den Hoofd Directeur zal bepaald worden, mogt hiervan om goede redenen een afwijking gemaakt worden dan mag zulks niet geschieden, zonder vooraf verkregen machtiging van den Pastoor.
  17. Mocht het onverhoopt ooit gebeuren dat iemand der Kooristen tweedragt tuschen Pastoor en Zangers, of tusschen zangers onderling zou trachten te bewerken, zal hem onmiddellijk het koor ontzegd worden.

Aldus door mij ondergetekende behoudens verdere uitbreiding indien zulks nuttig mocht blijken gereglementeerd op den feestdag der H. Cecilia 22 nov 1873. J.F. Bussing Pastoor.