U steunt de heemkundekring door lid of vriend te worden.
Iedere eerste maandag- en woensdagochtend van de maand van 10 tot 12 uur kunt u ons bezoeken in het heemhuis.

Mond- en klauwzeer

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Versie door Pieter K (overleg | bijdragen) op 8 nov 2022 om 09:58
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De heilige Cunera werd aanbeden tegen veeziektes.
Glas-in-loodraam van Hendrik en Pieter Wiegersma in de Sint-Jozefkerk.

De zeer besmettelijke en gevreesde veeziekte mond- en klauwzeer, ook wel tongblaar genoemd, had in de loop der tijd ook voor veel Deurnese landbouwers dramatische gevolgen.


In september 1872 werd vanuit Deurne aan de Arnhemsche Courant gemeld dat er in Helden, Maasbree en omstreken "op eene afschrikkelijke wijze het klauwzeer en de tongblaar" onder de paarden, hoornvee, schapen en varkens was uitgebroken. De ziekte zou zijn binnengebracht door een koopman die in Holland schapen had gekocht en in genoemde plaatsen had laten weiden. Het bericht werd een week later flink genuanceerd door een ingezonden schrijven van burgemeester Peeters van Helden in de Venloosche courant. Er waren weliswaar enkele gevallen van die ziekte geconstateerd maar de zaak was inmiddels helemaal onder controle. Volgens een redactioneel commentaar in diezelfde krant zou men het bericht vanuit Deurne met geen ander doel de wereld in hebben geholpen dan om de veehandel bij onze oosterburen te raken.

Op voorstel van de burgemeester werd in de raadsvergadering van 13 februari 1895 besloten dat veehouders voortaan verplicht waren om deze ziekte onder het vee bij constatering onmiddellijk bij de plaatselijke overheid te melden.

Medio december 1875 stak de ziekte de kop op in Deurne en Udenhout.

De uitbraak van de ziekte in Deurne 1896 zorgde ervoor dat er ook door de plaatselijke overheid allerlei maatregelen genomen werden om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. Het leverde de klerk op de gemeentesecretarie zo veel extra werk op dat hij daarvoor een gratificatie van 50 gulden mocht ontvangen.

Rond 1907 verscheen in De Zuid-Willemsvaart van de hand van ene Agricola (kapelaan Roes?) een serie artikelen onder de kop: "De Deurnese Proefvelden". In een daarvan adviseerde de schrijver om in de vroege winter knolrapen met een beetje zout aan het vee te voeren en schreef daarbij dat dit voedsel ook een voorbehoedsmiddel tegen mond- en klauwzeer was.

In februari 1916 werd in de stal van landbouwer P. op het Heuveleind in Vlierden door de veearts een geval van mond- en klauwzeer geconstateerd. Alle maatregelen werden getroffen om verdere uitbraak van de gevreesde ziekte te voorkomen.

Na afloop van de jaarvergadering van de verenigde Deurnese stierenhouders werd in december 1918 door de rijksveearts De Ronde een lezing gehouden over mond- en klauwzeer en de bestrijding daarvan.

In januari 1919 werden in Vlierden meerdere gevallen van mond- en klauwzeer onder de veestapel geconstateerd, onder meer bij H.J. Nieuwenhuizen op adres B.37 en bij de gebroeders Verbeten. In maart van dat jaar brak de ziekte uit bij het vee van de Griendtsveense tuinier W. Veldhuijzen. In juni 1920 werd de ziekte gezien in de stallen van P. Beijers A.22, de weduwe Raijmakers A.6, Th. Mennen A.3 in Vlierden. In oktober van dat jaar was het in Vlierden raak bij H. Jacobs-Tijssen A.32, J. van Otterdijk dorp A.47, F. van Bree, Brouwhuis B.31 en P.A. Welten, B.11. Welten had in juli 1921 opnieuw een koe met die ziekte.

De burgemeester van Deurne waarschuwde in november 1922 in een krantenbericht de Deurnese boeren om geen zaken te doen met handelaars die Duitse biggen aanboden, omdat daar mond- en klauwzeer heerste. In zijn memoires meldde Gerard Schrama dat er in 1923 een ernstige vorm van mond- en klauwzeer op zijn boerderij heerste. Hij schreef daarover het volgende:

In 1923 meenden we er weer goed voor te staan. De koeien hadden goed afgekalfd, liepen goed in het gras en gaven veel melk. Maar op een zekere morgen ontdekte ik tot mijn grote schrik de ramp van die dagen namelijk: mond en klauwzeer. Het was half juli, tegen de oogst. Zo kwam alles bij elkaar. Ik zal dan ook niet proberen hier te schetsen hoe bezwaard en heengeslagen ik mij bij deze ontdekking voelde. Maar het feit was er en wij hebben maar te aanvaarden. In het begin had ik de stille hoop dat de ziekte geen ernstig karakter zou hebben. Al spoedig bleek dat deze hoop ijdel was. Toen het mondzeer wat beterde begon het in de poten en uiers en wel in een mate zoals, volgens de veearts, het maar zelden voorkomt. Tenslotte hielden 9 koeien een kwaaie poot over met zo genaamde "pestkool". Dit is één van de kwaadaardigste zweringen en zo goed als ongeneeslijk. Het was dan ook al diep in de herfst eer ze gingen lopen. Al die tijd moesten de beesten dagelijks gevoerd en behandeld worden. We hadden zakjes genaaid en met heet lijnmeelpap werden die om de poten gedaan en elke dag vernieuwd. Het gevolg was dat dit de pijn matigde en doordat ze geen melk meer gaven en steeds gevoerd werden, gingen de koeien groeien en brachten ze in de winter toch een redelijke prijs op. Dit was dus alweer een geluk bij een ongeluk.[1]

Op 17 mei 1924 werd in de krant gemeld dat in de stal van de weduwe J. van Otterdijk in Liessel het eerste geval van mond- en klauwzeer was geconstateerd. Nog geen week later werden daar nog meer ziektegevallen geconstateerd, namelijk in een wei genaamd Mastkooi, waar 7 runderen waren besmet. In juli van dat jaar gingen veel Deurnese veehouders op bedevaart naar Uden om met gebed de besmettelijke ziekte af te wenden. Ze konden daarvoor overigens ook in onze eigen nieuwe Sint-Jozefkerk in de Sint-Jozefparochie terecht. In het najaar van 1924 nam de ziekte geleidelijk af en kon de balans worden opgemaakt; in een klein dorp als Vlierden waren meer dan 60 boerderijen getroffen door de ziekte.

Het mond- en klauwzeer onder het rundvee nam in 1926 schrikbarend toe en heerste op veel stallen in Deurne. In augustus 1926 werden 14 gevallen van mond- en klauwzeer gemeld. De Zuid-Willemsvaart van 6 oktober meldde zelfs dat in één stal in Liessel vier runderen waren overleden. Nog geen week later woedde de ziekte hevig in Liessel. De krant meldde: Het mond- en klauwzeer schijnt thans in al zijn kracht op de stallen onzer boeren gevallen te zijn, geen wonder dat de boeren bij 't woord mond- en klauwzeer de schrik om 't hart begint te slaan, temeer daar zich reeds verschillende gevallen met doodelijken afloop hebben voorgedaan.

In 1939 woedde het virus weer in Deurne. In het jaarverslag van zuivelfabriek Sint-Isidorus werd er melding van gemaakt, maar de ziekte kon niet verhinderen dat ook in dat jaar de melkproductie toenam.

Een van de voorzorgmaatregelen om verdere verspreiding van de ziekte tegen te gaan was het ophangen van een bordje met de tekst "mond- en klauwzeer" om de bezoekers en passanten te waarschuwen. Dat bordje werd op de Zwarte Plak tijdens de oorlog "misbruikt" om bezoek van ongewenste gasten aan de boerderij, waar Engelse piloten werden verborgen, te weren.

In het najaar van 1945 rukte het mond- en klauwzeer, met een hoog sterftepercentage, vanuit Frankrijk op naar onze contreien. Op 17 oktober van dat jaar werd door de leden van Sint-Isidorus daarom een speciale vergadering belegd om te komen tot massale inenting. Door de overheid werd het vaccin beschikbar gesteld. De inenting moest gedaan worden door een veearts tegen een vergoeding van een gulden per enting, waarbij ook schapen en geiten moesten worden gevaccineerd. Door de vergadering toen werd besloten dat de melkfabriek de helft van die kosten voor haar rekening zou nemen. Hetzelfde gold voor de fabrieken van Asten, Bakel, Liessel en Helmond. Ook toen waren er antivaxers; van de 133 aanwezige leden stemden er drie tegen omdat ze niet overtuigd waren van het nut van de vaccinatie.

In februari 1952 deed het mond- en klauwzeer opnieuw zijn intrede in Deurne. Het vee in de stal van Th. Janssen op de Heitrak bleek besmet te zijn. Onmiddellijk begonnen de boeren hun vee te laten inenten.

In de jaren 1962-1965, met als hoogtepunt het laatstgenoemde jaar, was er een grote uitbraak van mond- en klauwzeer onder de varkens. Het zorgde voor veel ellende bij de getroffen boeren en veel rompslomp bij de andere varkenshouders. Varkensfokdagen, waarbij de boeren hun fokresultaten konden demonstreren, handel drijven en informatie uitwisselen, zoals de jaarlijkse varkensfokdag in Lierop, en veemarkten konden vanwege de ziekte niet doorgaan. Naast deze ziekte hadden de boeren in 1965 ook nog eens te kampen met veel wateroverlast en een veel te vroeg invallende herfst waardoor ook nog eens de oogst deels mislukte.

In 2001 kwam er in Deurne opnieuw een flinke uitbraak van mond- en klauwzeer onder de varkens. Met de toegenomen intensivering van de bio-industrie nam ook de schade voor de getroffen agrariërs flink toe en bracht enkelen van hen tot aan de afgrond.

Op 25 februari 1966 verscheen in het Weekblad voor Deurne onderstaand rijm, gemaakt door Frans Konings, destijds de assistent van de districtsbureauhouder.

Begin 20e eeuw werden er al Deurnese varkens uitgevoerd naar Frankrijk, zoals uit deze gezondheidsverklaring blijkt.
document collectieTij Kools

KRONIEK VAN HET MOND- EN KLAUWZEER

Kobus Berkers, 'n kittig boerke
- al was z'n keuterij nie groot
kocht bij 'ne fokker honderd biggen.
Mesten deed ie in 't groot.

Behalve deze honderd biggen,
had ie nog 'ne stal met vee.
't Waren wel geen stamboekbeesten,
maar ze konden toch goed mee.

't Voeder kocht ie - hoe kan 't anders? -
in Deurne bij den Boerenbond.
De voorlichting keek regelmatig
hoe een en ander er bij stond.

De buurt, die kon het niet begrijpen.
Maar Kobus hield het steeds maar strak.
Hij zee: 'k Mest al m'n varkens voor m'n eigen;
'k heb ze helemaal niet op contrakt.

Met veel ijver en ambitie
hield ie altijd de kooien schoon.
Hij had een goede ventilatie
en Ties als hulp, 'n stevige zoon.

De kooi, die deed 't ook mirakels,
ge hoorde ze heel den dag haast nie...
Totdat er op een zekere morgen
nie kwamen vreten 'n stuk of drie!

Hij naar binnen. Hij en riep moeders!
„Mieke, kom es efkes deest...
'k Weet nie wat er aan de hand is...
Maar kijk daar 'ns, naar dat beest!"

't Kuuske kroop al op z'n knieen.
„Als regel doen ze dat toch nie.
't Kon, jandomme, wel 'ns mis zijn"
zee Kobus. En 't zelfde zee Mie.

Maar om zekerheid te hebben,
haalt Ties den brommer uit de schuur,
pompt 's mee 't benzinepumpke, start...
en trug is ie weer binnen 't uur.

De veearts liet nie op zich wachten
en ging recht naar de varkensstal.
Ternauwernood had ie nog gekeken
of hij zee: ,,Ik zie het al".

Ik stel hier de diagnose,
maar zekerheid, dat geeft Boxtel...
'k Ga gauw naar de telefoon toe.
Goeden dag en dank je wel".

Nog geen twee en 'n half uur later
kwam er 'n wagen mee vol gas
het erf van Kobus opgereden
met vier personen in witte jas.

Met z'n vieren sprongen ze in de hokken.
Wat gingen de varkens te keer!
Ze hadden 't samen gauw bekeken.
't Was werkelijk mond- en klauwenzeer.

Kobus slikte enen brok weg.
Mie kreeg de tranen in het oog.
Ties, die bromde al naar 't pakhuis,
om 'ne pak mee natronloog.

De schatters kwamen in de middag
en ook de wagens mee plastiek.
den heelen hoop werd opgeladen,
zowel de gezonden als de ziek'.

De hokken werden schoon-gespoten,
alles droop er van de loog.
Op de deuren verschenen platen,
ook verderop in 'n wijde boog.

Daags daarna stond in de kranten
langs Peel en Zuid-Willemsvaart
„Heel de gemeente en nog verder
tot besmet gebied verklaard".

Geen veevervoer in veertien dagen,
dekreteerde de V.D.[2]
Wie zulks toch zou durven wagen,
krijgt te doen met de A.I.D.![3]

Geen koe mocht uit of naar de weide,
geen varken naar de slagerij.
De beren hielden weer vakantie,
de K.I. voer er welletjes bij.[4]

Ras bleek, dat deze reglementen
niet voldeden als tegenweer.
De ene stal viel na de ander
ten offer aan 't gevreesde zeer.

Karavanen wagens daverden
dagelijks naar destruktor van Son,
met leverde dieren en kadavers
zo vol geladen als het kon.

De heren met de witte jassen
uit Boxtel en ook uit Den Haag
stonden voor een stevig raadsel,
al erkenden zij 't niet graag.

Voor de niet getroffen boeren
doemden ook problemen op.
Hunne varkensstapels groeiden maar...
de afzet was hun strop.

Daarom belden zij voortdurend
en kwamen naar 't DBH-kantoor.[5]
Maar de DBH, die zei slechts:
„Ik heb niks te zeggen, hoor!"

't Was op den duur niet meer te harden
en allen kregen pront de raad
de Boerenbond aan 't werk te zetten.
d'Een ging geprikkeld, d'ander kwaad.

Het hoofdbestuur van de N.C.B.[6]
dat hoort ook zo in zulke zaken,
trad in kontakt met de V.D.
Om tot meer soepelheid te raken.

Gezamenlijk werd 't besluit genomen -
en beide partijen namen 't aan -
dat men zich voor noodgevallen...
kon vervoegen in hotel De Zwaan.

Nauwlettend werd daar nagegaan -
en heel sekuur werd 't uitgemeten
of men wel op veilige afstand
van de besmetting was gezeten.

Was zulks 't geval, dan kon 't gebeuren,
dat men na lang gedelibreer
een ontheffing mee kon nemen.
Dan zei de boer: "Merci, mijnheer!"

't Besmet gebied werd dagelijks groter.
Het hielp allemaal geen zier.
Iedereen stond als verslagen.
"Er moet iets gebeuren hier".

Ten einde raad haast werd besloten,
na veel en druk geëxperimenteer,
alle varkens te gaan enten
tegen mond- en klauwzeer.

Deze enting zou niets kosten.
De regering betaalde 't vaccin.
Alle varkenshouders stemden
hiermede volledig in.

De directeur der Stichting ULM -[7]
voorheen was 't Voedselcommissaris -
trad in 't geweer en gaf zijn dienst...
Vraag hem maar of 't nie waar is.

De heren op zijn hoofdkantoor
en ook allen in 't gewest
sloegen de handen weer ineen
en 't marcheerde opperbest.

De DBH kreeg ook zijn deel,
net als de vorige keer.
Hij rende als een bezeten man
met formulieren op en neer.

De dierenartsen uit het land,
zij trokken er op uit,
gewapend met een berg papier
en met de enting-spuit.

In minder dan een enkele week -
het klinkt wel haast onwaar -
zat het hele entingsschema rond
en was alles kant en klaar.

Het zeer eiste toen zijn laatste tol.
Nog enkele moesten er aan.
Maar spoedig reeds, het bleek al ras,
scheen de ziekte heengegaan.

Van toen af bleef men permanent,
met 't enten aan de gang.
“Het schijnt te helpen", hoort men nu,
doch: “Slechts drie maanden lang"!

Zolang men entte voor niemandal
was de animo zeer fel.
Entte men voor eigen rekening:
Nou ja, dan weet je 't wel.

In Boxtel zetelt, naar je weet,
het hoofd van de V.D.
Wat die al te verduren kreeg!
Voor geen sterveling valt dat mee!

Dies zocht hij troost en vond die ook -
't zat hem ook heus niet lekker
in Tilburg op het hoofdkantoor,
bij direkteur "de Bekker".

De V.D.-heren in "De Zwaan"
werden van hun werk ontheven.
De ontheffingen zouden voortaan
door 't DBH-kantoor geschreven.

D'eerste dagen liep 't heel stroef,
geheel volgens de wetten.
De DBH, die wist precies
waarop hij had te letten.

“Zorg dat uw wagen is ontsmet.
En denk ook aan uw kleren.
Zijn Uwe varkens wel geënt?"
zo vroeg hij duizend keren.

De stroom van boeren hield maar aan,
met brommer, fiets en wagen.
Er waren er, die met de trein...
een ontheffing kwamen vragen!

"Hoelang moet dit geloop nog duren?"
Ook dat vroeg men duizend keren.
"Wanneer mag men de boer weer op,
met de verenigingsberen?"

Zo rolt het varkensleven voort,
‘t is enten en papieren,
al wat de klok slaat, dagelijks weer,
van acht tot over vieren.

De DBH en assistent,
zij kennen weer hun schapen.
Ze schrijven en ontheffen maar,
van 's morgens tot ze slapen.

De honderdduizendste krulstaart
van 't vervoersverbod ontheven,
staat deze week in 't middelpunt.
"'n Zeug", ze mag blijven leven.

'k Verwacht, dat alle handelslui
en alle boerenmensen
Ons bij dit varkensjubilee
nog veel geluk toewensen.

Al bracht 't geval veel narigheid
en kon het niet veel gekker,
een woord van hulde past toch wel
de dienst van L. de Bekker.

Maar 't liefst was ons en U vooral -
ge kunt het al wel gissen -
't einde van de epidemie.
Die kunnen wij wel missen!

Was 't wel 'ns beroerd en zonderling,
hoe wij ons soms gedroegen,
wij deden steeds slechts onze plicht,
zoals ze van ons vroegen.

Uw DBH en assistent,
zij danken U allen, beiden,
voor het geduld en het begrip,
waarmede gij U liet leiden.

Het virus tart nog elk vaccin,
zo bleek weer bij de "Witte".
We zijn daarom een beetje bang,
dat er nog iets is blijven zitten.

Tot heden was er in heel het land
bij de V.D. geen genie,
dat helemaal bezweren kon
de heerschende epidemie.

We tobben daarom maar weer voort,
zo lang het nog moet duren.
en noteren als goed ambtenaar,
onze gewerkte uren.

Ik hoop verder dat deez' rijmkroniek
u allen is bevallen
Mag dit tevens 't einde zijn
Van den trubbel voor ons allen!

Deurne 16 februari 1966 F. Konings.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Memoires van Gerard Schrama in de bibliotheek van het heemhuis locatie 01.E.55.
  2. De V.D. was de Veterinaire Dienst, een uitvoeringsdienst van het Ministerie van Landbouw.
  3. De A.I.D. was de Algemene Inspectiedienst, later opgegaan in de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
  4. De K.I. is het station waar kunstmatige inseminatie (KI) plaatsvindt.
  5. Het DBH-kantoor was het kantoor van de Districtsbureauhouder (DBH), gevestigd op de eerste verdieping van het gebouw van de Boerenbond aan de Stationsstraat 122-124 in Deurne. Piet Koolen was destijds districts-bureauhouder (DBH)
  6. De N.C.B. of NCB is de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond
  7. De Stichting ULM was de Stichting tot Uitvoering van Landbouwmaatregelen, een uitvoeringsorgaan van het Ministerie van Landbouw, waarvan provinciaal de voedselcommissaris het hoofd was.