DeurneWiki een encyclopedie over, voor en door Deurne(naren)!
U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

Joannes Copenens (1807-1866)

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
(Doorverwezen vanaf Jan Koppenens)
Ga naar: navigatie, zoeken
Joannes Copenens (1807-1866)
.
Persoonsinformatie
Volledige naam Joannes Copenens
Roepnaam Jan
Geboorteplaats Sint-Oedenrode
Geboortedatum 20 juni 1807
Overl.plaats Helmond
Overl.datum 12 juni 1866
Partner(s) Petronella van der Linden (1809-1863)
Beroep(en) slager, wever, veldwachter, tiender
Joannes (Jan) Copenens (Coppenens/Koppenens) (1807-1866) was tussen 1834 en 1864 slager, wever, veldwachter en tiender in Deurne.[1]


Hij was de zoon van Carolus Copenens en Adriana Smits. Hij huwde op 7 september 1833 in Woensel met Petronella van der Linden (Woensel 4 oktober 1809 - Deurne 20 november 1863), dochter van de in Gemert geboren fabrieksarbeider en dagloner Antonie van der Linden (1778-1835) en Antonia van Alen (1781-1828). Uit dit huwelijk werden de volgende kinderen geboren:

  1. Adriana (Woensel 21 september 1833 - Helmond 22 januari 1913); zij huwde te Helmond op 8 februari 1871 met de fabrieksarbeider Leonardus Hubertus van der Linden (1838-1907).
  2. Antonetta (Deurne 19 december 1834 - Helmond 18 februari 1902); zij huwde te Mierlo op 26 april 1865 met de arbeider Jacobus van de Rijt (1834-1899).
  3. Johanna (Deurne 2 november 1835 - Deurne 6 januari 1836).
  4. Antonie (Deurne 3 februari 1837 - Deurne 7 juni 1837).
  5. Johanna (Deurne 5 maart 1838 - Deurne 1 april 1841).
  6. Petronella (Deurne 23 april 1839 - Deurne 14 september 1840).
  7. Antonie (Deurne 2 augustus 1840 - Helmond 19 november 1902), opperman.
  8. Johannes (Deurne 8 augustus 1841 - Helmond 12 januari 1907), wever, fabrieksarbeider; hij huwde op 1 mei 1867 te Helmond met Nicolasina van Hoof (1842-1910).
  9. Willem (Deurne 10 juli 1842 - Helmond 21 maart 1902), dagloner; hij huwde op 4 oktober 1882 te Helmond met Catharina Leurs (1842-1912).
  10. Petronella (Deurne 18 maart 1844 - Deurne 24 juli 1844).
  11. Hendrina (Deurne 29 april 1846 - Deurne 13 juni 1847).
  12. Petronella (Deurne 7 juni1847 - Deurne 29 mei 1848).
  13. Hendricus (Deurne 17 juli 1848 - Helmond 19 mei 1926), fabrieksarbeider, roodverver; hij huwde (1) te Helmond op 20 november 1872 met Maria Huberta van den Bogaard (1851-1873) en (2) te Someren op 28 april 1881 met Anna Maria Wijnen (1853-1903).
  14. Ludovicus (Deurne 16 mei 1852 - Deurne 9 september 1855).

Van zijn veertien kinderen haalden er dus maar vijf de volwassen leeftijd.

Hij werd weliswaar in Sint-Oedenrode geboren maar woonde vanaf zijn jeugd in Deurne. Bij de volkstelling van 1829 woonde hij op het adres Kerkeind 179 in een huis waarin vijf huisgezinnen en in totaal 18 personen woonden. Waarschijnlijk was het een blok armenwoningen die stonden op het huidige adres Oude Martinetstraat 11. Hij woonde er in bij het bejaarde weversechtpaar Lambert en Henrica van de Mortel-van de Kerkhof.

Tijdens de Belgische Opstand was hij van 1830 tot 1832 als dienstplichtige ingedeeld bij het mobiele leger. In 1833 verbleef hij in het leger in de vesting Nijmegen. Op 13 juli 1832 werd hij gedecoreerd met het Metalen Kruis.

Na zijn huwelijk verdiende Jan Koppenens in Woensel de kost als vleeshouwer en slager. Na de geboorte van hun oudste kind keerde hij met zijn gezin terug naar Deurne waar hij tussen 1835 en 1847 in het levensonderhoud probeerde te voorzien als wever. Maar hij kon niet alle monden vullen en mede omdat zijn vrouw erg ziekelijk was moest hij regelmatig bij de gemeente aankloppen voor armenzorg.

In augustus 1847 kwam, na het vertrek van Lubbert Hendrik Baas, het baantje van veldwachter van Deurne vrij. Hij werd, vooral vanwege de armoedige toestand van zijn gezin, door de beide Deurnese assessoren (wethouders), maar tegen de wil van de burgemeester, voorgedragen als tijdelijk veldwachter. Hij was toen 38 jaar oud en had een gezin met zes kleine kinderen te onderhouden. Hij had een goede lichamelijke conditie en hij was in militaire dienst geweest, waar hij behoorlijk met een paspoort ontslagen was. Burgemeester Van Riet had drie goede redenen om tegen zijn benoeming te zijn:

  1. Hij was meerdere jaren lang niet alleen armlastig, maar had zich ook schuldig gemaakt aan bedelarij.
  2. Enkele jaren eerder had hij bij hoogbejaarde gegoede persoon in Deurne, zoals men stellig beweerde, geld losgekregen door te zeggen: De pastoor heeft mij gestuurd en gezegd dat gij mij vier kronen moet geven. Hij zou het geld ook werkelijk hebben gekregen maar de pastoor wist van niks.
  3. Hij zou herhaaldelijk bont en hout gestolen hebben zonder daarvoor echter te zijn vervolgd.

Hij moest het bij zijn sollicitatie opnemen tegen de volgende mede-kandidaten:

  • Peter Hendrik van Beugen, geboren in Den Bosch, kleermaker, 28 jaar oud, korporaal geweest in militaire dienst, gehuwd met een kind, kon lezen en schrijven en had een goed gedrag.
  • Peter Hubertus Seizenis, geboren te Leiden, 29 jaar oud, zonder beroep, sergeant geweest in militaire dienst, was ongehuwd, kon lezen en schrijven en had een goed gedrag.
  • Hendrikus Dirkse (Rijkers), geboren in Asten, kuiper, 29 jaar, was als vrijwilliger in militaire dienst geweest, was ongehuwd, kon lezen en schrijven en had een goed gedrag. Hij was de zoon van de veldwachter in Asten.

Konden alle andere kandidaten bogen op een goed gedrag, zijn gedrag werd omschreven als vrij redelijk. Door de inspanningen van de twee assessoren kwam hij niettemin op de eerste plaats van de voordrachtlijst en werd hij op 19 september 1846 ook door de staatsraad gouverneur benoemd, zij het tijdelijk voor een periode van drie jaar. Hij kreeg een jaarsalaris van 130 gulden. Voor het Kantongerecht Asten moest hij de vereiste eed afleggen alvorens hij de benodigde wapens kreeg en daadwerkelijk in dienst kon treden.

Na beëindiging van zijn tijdelijke periode van drie jaar kreeg Jan Koppenens op 9 september 1849 een vaste aanstelling. Zijn jaarsalaris bleef ongewijzigd op 130 gulden staan. Wel kreeg hij op 29 april 1850 een extra toelage van 25 gulden voor buitengewone diensten. Aan de grenzen van de gemeente met het hertogdom Limburg had hij de voorbije jaren van de vroege morgen tot de late avond de Peel doorkruist om overtreders te bekeuren.[2]

Op 10 augustus 1851 stuurde hij een verzoek aan de gouverneur omdat hij meende voor een aantal door hem opgemaakte processen-verbaal een vergoeding te kunnen ontvangen volgens artikel 20 van het Burgerlijk Wetboek. Door het gemeentebestuur was hem al te kennen gegeven dat hij daarop geen recht had, maar hij wilde toch proberen om door tussenkomst van de gouverneur deze gelden alsnog te ontvangen.

In het politiereglement was namelijk bepaald dat deze vergoeding kon worden geclaimd als er sprake was van het schutten van vee dat zich zonder toestemming van de eigenaar op andermans grond bevond. In de door hem meegestuurde en hieronder opgenomen lijst was echter steeds sprake van personen die met hun paard en kar zaken vervoerden zoals illegaal gestoken heideplaggen of tussen en daarvoor gold geen vergoeding aan de veldwachter. Ook ten aanzien van de bijenkorven had Jan Koppenens het politiereglement verkeerd begrepen; er moest voor iedere stok bijen, door niet-Deurnenaren op Deurnes grondgebied geplaatst, vijf cent aan de gemeente betaald worden. Het lijstje geeft in ieder geval een aardig overzicht van de door hem geverbaliseerde personen:

Door veldwachter Jan Koppenens geclaimde vergoedingen
Datum Geverbaliseerde Geclaimd bedrag
27 mei 1847 Johannes van de Kuilenburg ƒ 1,50
28 mei 1847 Hendrikus van den Berg ƒ 1,50
4 augustus 1847 Martinus Lammers ƒ 1,50
12 november1847 Poulus Slegers ƒ 1,50
8 mei 1848 Godefridus Joosten ƒ 1,50
12 mei 1848 Antonius van Bommel ƒ 1,50
10 juni 1849 Johannes van Bommel ƒ 1,50
4 juli 1849 Johannes Jacobs ƒ 1,50
5 juli 1849 Johannes Goossens ƒ 1,50
19 juli 1849 Peter Deenen, Bakel ƒ 1,50
19 juli 1849 Martinus Kuunders ƒ 1,50
7 augustus 1849 Hendricus Claus ƒ 1,50
17 augustus 1849 Peter Lammers van 71 stok bijen a 5 ct. ƒ 3,55
30 augustus 1849 Hendrikus van Handel ƒ 1,50
22 mei 1850 Johannes Verstappen ƒ 1,50
19 juni 1850 Francis Meulendijks ƒ 3,00
samen ƒ 27,55

Knevelarij[bewerken]

In de zomer van 1854 viel het doek voor Jan Koppenens als veldwachter van Deurne. Toen kwam namelijk een geval van knevelarij aan het licht waardoor hij uiteindelijk een gevangenisstraf van een jaar kreeg. Op een vrijdag in januari van dat jaar hield hij namelijk een zekere Hendrikus van Aken aan, die toen nog in Helden woonde maar later naar Roggel verhuisde. Hij bevond zich met paard en twee karren turf in de Peel. Volgens het politiereglement was dat namelijk verboden aan niet-Deurnenaren. Maar Van Aken had deze turf gekocht van ene Rooijakkers uit Deurne. Omdat Van Aken zelf verhinderd was liet hij zijn vrouw de daarop volgende zondag naar de burgemeester van Deurne gaan om het een en ander uit te leggen. Deze had alle begrip voor de zaak en liet geen proces-verbaal opmaken. Ook ging zij die dag nog naar Rooijakkers om wat zaken te regelen. Toen ze 's avonds al op te kar zat om naar huis te gaan werd ze door de veldwachter aangesproken. Die verzocht haar om de volgende dag om negen uur 's morgens weer naar Rooijakkers te komen, waar hij dan ook aanwezig zou zijn. Waarschijnlijk is zij op dat verzoek niet ingegaan want de zaak was immers door de burgemeester afgedaan.
Maar op 30 juni stond de veldwachter bij Van Aken voor de deur. Deze was zelf op reis maar zijn vrouw stond hem te woord. Hij eiste van haar 25 gulden voor de "diefstal" van de turf, met het dreigement dat als ze niet direct zou betalen hij de volgende dag een proces-verbaal zou schrijven dat 100 gulden kostte. Ze zei dat ze het geld niet aankon omdat haar man de sleutel het meegenomen. De vraagprijs van de veldwachter daalde daarop via 16 uiteindelijk naar 7 gulden. Dat bedrag werd door mevrouw Van Aken betaald. Maar ze stapte later wel naar de burgemeester die een aanklacht tegen Koppenens indiende. Op 3 augustus 1854 werd hij in de boeien geslagen. Een maand later werd hij door de rechtbank veroordeeld. Hij raakte daardoor niet alleen zijn baan kwijt maar ook moest hij een gevangenisstraf van een jaar ondergaan en bovendien een boete van 25 gulden en de proceskosten van ruim 92 gulden betalen. Daardoor was zijn gezin opnieuw aangewezen op de armenkas van de gemeente. Ze werd bedeeld met wekelijks een half brood en 35 centen. Deze kosten verhaalde de gemeente Deurne overigens wel met veel heen-en-weer geschrijf op Sint-Oedenrode, de geboorteplaats van Jan.

Kort voor zijn arrestatie was hij nog aangesteld als tiender bij het innen van de tienden over de boekweitoogst van dat jaar.

Francis Althuizen volgde hem op als veldwachter van Deurne. Na zijn gevangenisstraf keerde hij terug naar zijn oude stiel als wever.

In maart 1857 waren zowel hij als zijn vrouw ernstig ziek. Beiden hadden dag en nacht hulp en verzorging nodig. Daardoor moest de wekelijkse ondersteuning, naast geneeskundige hulp, worden verhoogd naar drie en een halve gulden. Zijn vrouw bleef ook in de daarop volgende jaren ziekelijk en overleed hier in 1863.

Op 1 mei 1864 verhuisde Koppenens met zijn kinderen naar Mierlo. Op 13 april 1866 verhuisde hij, twee maanden voor zijn overlijden, van Mierlo naar Helmond. Nog steeds heeft Helmond van alle plaatsen in Nederland het hoogste aantal dragers van de familienaam Koppenens, nazaten van onze Jan.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Ofschoon in het bij zijn huwelijk overlegde uittreksel van het doopregister de familienaam Copenens wordt gemeld, wordt zijn achternaam in de Deurnese archieven meestal geschreven als Coppenens. Van zijn veertien kinderen wordt er één, de oudste, bij de Burgerlijke Stand ingeschreven als Copenens, zes als Coppenens en zeven als Koppenens. Zijn nazaten in mannelijke lijn droegen/dragen de naam Koppenens.
  2. Het zal voornamelijk gegaan zijn om Limburgers die op Deurnese grond illegaal turf staken. Met de verkoop van de 610 hectare gemeentegrond tegen de gemeentegrens aan de gebroeders Nicolaas en Jan van de Griendt kwam aan deze praktijken in 1853 een einde.