Welkom op DeurneWiki - de encyclopedie voor de gemeente Deurne

U kunt ons steunen door lid of vriend van Heemkundekring H.N. Ouwerling te worden.
Iedere woensdagochtend zijn wij tussen 10 en 12 uur in het heemhuis: Stationsstraat 73.

Militair Peelrapport 1912

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Ga naar: navigatie, zoeken

Het militair Peelrapport 1912 geeft een goed beeld van de toestand van de Peel in het begin van de twintigste eeuw. Ofschoon het rapport geschreven is uit militair-strategisch oogpunt geeft het, mede door het begeleidend kaartmateriaal, ook veel details prijs over de geografische en hydrografische gesteldheid.


Het 54 bladzijden tellende rapport met zes bijlagen werd op 21 oktober 1912 samengesteld door de kapiteins van de Generale Staf M.D.A. Forbes Wels en H.C. Fortanier. Het was een reactie en aanvulling op een eerder verschenen rapport over een Peelverkenning, dat was samengesteld door de eerste luitenant H. Rooseboom, leraar aan de Koninklijke Militaire Academie.

Bij de verkenning in de Peel lieten de twee samenstellers zich wat betreft Deurne onder meer begeleiden en voorlichten door Adriaan Bos, directeur van de Maatschappij Helenaveen, Karel Lodewijk Langenhoff, directeur van het Gemeentelijk Veenbedrijf en een niet met name genoemde opzichter van de gemeente, die in de opzichterswoning bij het kanaal woonde.

Het rapport betreft het hele Peelgebied tussen Weert en Uden. Ten aanzien van Deurne legden de samenstellers een aantal belangwekkende zaken vast. Zo schreven ze dat er jaarlijks tussen eind juli en begin september duizenden Duitse bijenkorven van verschillende eigenaren in de Peel werden geplaatst. Ze hadden vernomen hadden, dat er in 1912 alleen aan het station Helenaveen drie-en-tachtig wagons met bijenkorven waren aangekomen. En daarbij ook nog eens tweeëntwintig aan Station America.

De rapportsamenstellers schreven: Het schijnt ons volstrekt niet onmogelijk, dat van Duitsche zijde onder het motto "bijenteelt" verkenningen in de Peel worden verricht op overeenkomstige wijze als wij dit deden. Het verdient wellicht aanbeveling te trachten, door middel van de Marechaussee eenige nadere gegevens omtrent deze aangelegenheid te verkrijgen.

Op bladzijde 40 van het rapport noteerden de onderzoekers:

Eén onzer had bij een vroeger bezoek aan de Peel vernomen, dat er een rijwielpad moest bestaan, loopende langs de provinciegrens, hetwelk het Station Helenaveen met de Kraaienhut (aan den landweg Deurne-Venray) zou verbinden. We besloten dit te onderzoeken, temeer omdat we zoodoende een indruk konden krijgen van de Heijdsche en de Deurnsche Peel. Na ons vertrek van het station ging aanvankelijk alles goed. Er was, nadat wij de Vossenholen achter ons gelaten hadden, een weg van een paar meters breedte, waarover een tamelijk berijdbaar fietspad lag. Vrij spoedig echter moesten we afstijgen: een greppel was dwars door den weg gegraven, terwijl we verderop water daarop zagen staan, dat we doorwaadden. Daarna konden we, nu eens op dan weder naast de fiets, vooruitkomen, totdat we aan een punt kwamen, waar geen struikheide meer groeide, doch de bodem bedekt was met gras en waterplanten. We wisten natuurlijk, dat we ons te midden van het hoogveen bevonden, en gedachtig aan den raad, welke wij van den heer Bos hadden gekregen, gingen wij, een sloot overspringende, over op een hooger gelegen - met struikheide begroeid - gedeelte dat zich hier links van ons uitstrekte. Dit bleek een soort weg te wezen, die in de richting van ons doel leidde, doch zoodanig met hooge heide overdekt, dat van wielrijden geen sprake meer was en we tenauwernood zagen waar we liepen. Zoo kwamen we eindelijk, met het wiel aan de hand, en telkens stuitende op door de baan gegraven greppels, aan de Kraaienhut. Hiermede was bewezen, dat er voor enkele personen, mits onder inachtneming van de noodige voorzichtigheid, eene rechtstreeksche verbinding bestaat tusschen het Station

Helenaveen en de Kraaienhut. Voor ruiters is zij echter beslist onbruikbaar, en mocht zij ooit moeten worden gebezigd tot het overbrengen van berichten, tot het verkrijgen van verband e.d., dan geven wij den raad, steeds minstens twee personen tegelijk daarlangs te zenden. bij onzen tocht hadden we noode elkanders hulp gemist.

Over de Grotenberg en de Kraaienhut schreven ze:

Een volgend accès wordt gevormd door den Grooten Berg, eene bodemverheffing (1 à 2 M.), waarover de breede en goed begaanbare landweg (met goed rijwielpad) loopt, welke Deurne met Venray verbindt. Aan dien weg en westelijk tegen die hoogte aan ligt de Kraaienhut, zijnde een drietal gebouwen. In Noordbrabant is genoemde weg met vrij hooge boomen beplant; in de onmiddellijke nabijheid van de huizen staan, afzonderlijk, twee groepen van hoog geboomte. Daardoor is het mogelijk op kilometers afstand in den omtrek, de ligging van de Kraaienhut te bepalen, c.q. zich daarop te oriënteeren - wat wij meermalen deden. Volledigheidshalve voegen wij hieraan toe, dat men niet overal alles tegelijk waarneemt. Soms ziet men de laan niet, doch wel beide boomgroepen; dan weder slechts ééne groep, enz.

Over de toen nog niet verharde weg Deurne-Venray schreven zij: Er schijnt sprake van te zijn, den landweg Deurne-Venray te verharden; doch aangezien zulks veel geld zou kosten, en gelet op de weinige vlotheid van de gemeente Deurne c.a., waren onze berichtgevers van meening, dat er vermoedelijk nog vele jaren zullen heengaan alvorens dit plan tot uitvoering komt. In 1916 werd de weg verhard. In een latere handschrift-aantekening van 1919 in het rapport staat dat voor de verharding van die weg een Decauville-smalspoorlijn was aangelegd vanaf Station Helenaveen naar de Kraaienhut. In 1919 was dat spoor weer verdwenen, maar de weg, die daarvoor was opgehoogd, was er nog en er was toen een goed fietspad. Het spoorbaantje volgde ongeveer het tracé van de huidige Paardekopweg en de Kanveldweg.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Hans van de Laarschot en Ad Kersten zorgden ervoor zorgden dat het complete rapport met de bijlagen digitaal raadpleegbaar is op de website Peelbronnen