U steunt de heemkundekring door lid of vriend te worden.
Tot nader bericht geen woensdagochtendbijeenkomsten in het heemhuis.

Steenbelasting

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Steenfabriek Willems-de Koning was een van de dwarsliggers bij de betaling van de kerkcijns

De steenbelasting was een verplichte betaling aan de kerk van Deurne door de Deurnese steen-, plavuis- en pottenbakkers.


Ontstaan[bewerken | brontekst bewerken]

Over de herkomst van het recht van de kerk van Deurne tot het innen van belasting op het bakken van stenen en potten tasten we in het duister. Zeker is dat al voor 1616 de kerk rechten kon doen gelden.

Het incident van 1616[bewerken | brontekst bewerken]

In 1616 werd de zoon van Aert Thijssen van Ebben op de hei tussen Deurne en Helmond betrapt met een paard en kar, geladen met stenen, die hij richting Helmond vervoerde. In de rechtzaak, die daarop gevoerd werd, is sprake van overtreding van de keuren en breuken die jaarlijks op Sint Geertrudadag op Ter Beke werden voorgelezen. We beschikken weliswaar in deze periode niet over de rechtsregels die toen golden, maar in het processtuk is sprake van "keuren ende breucken bij den heer, den pastoer ende dije wet daertegens geordeneert".
Uit het processtuk blijkt dat men in Deurne weliswaar gerechtigd was om stenen te bakken, maar niet om die dan ook zonder toestemming buitendorps te verkopen. Men mocht alleen voor eigen behoefte bakken. Verderop in het processtuk werd nog vermeld dat de heer van Deurne zich in deze zaak ook diende te verstaan met de pastoor. Hieruit blijkt dat de kerk, bij monde van de pastoor, toen al rechten kon doen gelden bij het steenbakken.

Hoogte van de belasting[bewerken | brontekst bewerken]

Het zou kunnen zijn dat genoemd incident heeft geleid tot de Deurnese rechtsregel dat voortaan onbeperkt stenen mochten worden gebakken, op voorwaarde dat voor ieder mond stenen (18000 stuks) twee gulden belasting moest worden betaald aan de kerk. Bij overtreding van deze regel moest men twee gulden boete betalen aan zowel de kerk als de heer en bovendien werden dan alle gebakken stenen verbeurd verklaard.

Problemen met steenfabrikanten[bewerken | brontekst bewerken]

Toen in Deurne eind 19e eeuw het bakken van stenen een echt industrieel karakter kreeg, waren de fabrikanten niet zonder meer bereid om deze kerkbelasting te betalen. Het leidde tot menig conflict tussen hen en de pastoor van Deurne. Zelfs moest er een brief naar de paus aan te pas komen. Toen de weduwe De Koning de steenfabriek van de gebroeders Goossens opkocht en haar schoonzoon Janus Willems als directeur aanstelde, was de verkoper "vergeten" te vertellen dat er ook jaarlijks voor iedere 10.000 stenen één gulden steenbelasting aan de kerk van Deurne moest worden betaald. Bij een kennismakingsgesprek werd hem dat door de pastoor van Deurne wel duidelijk gemaakt, maar Willems legde er zich niet bij neer en weigerde te betalen. Het zou hem zo'n 300 tot 350 gulden per jaar extra kosten. De pastoor vroeg om advies bij de bisschop en die stelde hem in het gelijk. Hij stelde een tekst op die de pastoor de volgende zondag van de preekstoel moest voorlezen:

Dierbare parochianen,
Bij het aanvaarden dezer parochie heb ik, volgens kerkelijk voorschrift, de eed gezworen de rechten van de kerk te zullen handhaven. Onder de rechten der kerk, door het kerkelijk gezag als onbetwistbaar erkend, behoort ook het recht één gulden te vorderen van de steenbakkers voor elke 10.000 stenen, die door hen op Deurne's terrein gestookt worden. Wie zich vrijwillig merkelijk aan deze verplichting onttrekt, maakt zich schuldig aan groote zonde tegen de rechtvaardigheid, en is bijgevolg het ontvangen der H. Sacramenten onwaardig. Ik heb van het kerkelijk gezag dezer dagen den last ontvangen U dit punt met nadruk in herinnering te brengen en mij daarnaar te gedragen."

Tegen deze druk was Willems niet opgewassen en betaalde hij alsnog de accijns. Toen de zaken rond 1905 minder gingen, stopten ook zijn betalingen aan de kerk en na enkele jaren klom de pastoor in de pen. Op 22 december 1910 kon de pastoor-deken Bots in een brief aan de steenfabriek Willems-de Koning melden dat de paus hem gemachtigd had om namens de kerk een "voor uwe firma zeer voordeelige" schikking te treffen. Voor de achterstallige betasting tot 1 januari 1909 moest 150 gulden betaald worden en daarna moest de gebruikelijke cijns betaald worden voor het eerste miljoen jaarlijks gestookte gave stenen. De belasting moest telkens vóór 1 maart van het volgende jaar betaald zijn.
De pastoor kon niet nalaten om de brief met een onverholen dreigement te eindigen:

...Geve de goede God, dat wij nu toch eens eindelijk afdoening van zaken krijgen, en dat UEd. met een gerust geweten op het aanst. Kerstfeest aan de Tafel des Heeren kunt aanzitten. Want waarom zou ik het UEd. verbloemen wat UEd. reeds weet: “Indien UEd. weigert aan Uw zwaren plicht te voldoen, maakt Gij U aan doodzonde schuldig en zijt onwaardig om de H. Sacramenten te ontvangen: dat zouden evenzoovele heiligschennissen zijn.” Dit zegt ik niet alleen, maar dit zegt met de grootste beslistheid onze Hoogwaardige Bisschop Mgr. W. van de Ven in zijn hier publiek in de Kerk afgekondigd communique in 1899. Gaarne zal ik UEd. ter bespreking en afdoening der zaak op de pastorie ontvangen.

Na overleg werd besloten dat aan Willems een gedeelte van de belastingschuld werd kwijtgescholden en dat hij jaarlijks maximaal 100 gulden hoefde te betalen.

Bronnen, noten en/of referenties