U steunt de heemkundekring door lid of vriend te worden.
We zijn weer op afspraak en onder voorwaarden op woensdagochtend
van 10 tot 12 uur in het heemhuis. Maak hier je afspraak..

Hubertus Gerardus Hanssen (1926-1994)

Uit DeurneWiki, de historische encyclopedie voor groot-Deurne.
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hubertus Gerardus Hanssen
L54.777.jpg
Persoonsinformatie
Volledige naam Hubertus Gerardus Hanssen
Roepnaam Hub
Geboorteplaats Liessel
Geboortedatum 12 oktober 1926
Overl.plaats Liessel
Overl.datum 7 april 1994
Partner(s) Maria Catharina van Loon (1929)
Beroep(en) timmerman, aannemer, leraar
Stamboom.png Hanssen
Hub met zijn echtgenote Mietje
Hub als Prins van De Kei met familieleden Hanssen
Hub (met witte pet) als lid van de brandweer
Hub (links achter) als speler van een kampioenselftal van RKSV Liessel

Hubertus Gerardus (Hub) Hanssen (1926-1994) was aannemer en actief in het verenigingsleven van Liessel.

Familie en gezin[bewerken | brontekst bewerken]

Hub was een zoon van Gerardus Hubertus Hanssen (1888-1969) en Johanna van Veggel (1891-1956).

Hij huwde op 5 april 1952 met Maria Catharina (Mietje) van Loon (Liessel 7 februari 1929), dochter van Marinus van Loon (1895-1978) en Godefrida Biemans (1896-1976).

Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren:

  1. Godefrida Gerarda Maria (Godie), (Liessel 25 juni 1952).
  2. Gerardus Marinus Hubertus (Gerard), (Liessel 19 juni 1954).
  3. Johanna Petronella (Hanneke), (Liessel 21 september 1956).
  4. Marinus Godefridus (Marino), (Liessel 22 mei 1959).
  5. Hubertus Antonius Gerardus (Berry), (Liessel 10 december 1960).
  6. Jacqueline Huberta Maria (Jacqueline), (Liessel 17 februari 1964).

Na het overlijden van Hub hertrouwde weduwe Mietje in 1997 met Johannes Marinus Liebreks (1929-2015). Mietje woonde hierna van 1997 tot 2015 op Meidoorn 1, van 2015 tot augustus 2020 op Banierveld 4 en daarna in een verzorgingstehuis.

Hub heeft altijd gewoond op het (huidige) adres Hoofdstraat 42. Tot 1967 was het adres Schoolstraat 16, tot 1955 was het Schoolstraat L.44 en daarvoor F.74.

Opleiding en werk[bewerken | brontekst bewerken]

Na de lagere school in Liessel, volgde Hub de Ambachtsschool in Deurne van 1938 tot 1942 en daarna van 1949 tot 1952 de avondopleiding Aannemers- en Middenstandsdiploma in Venlo.

Hub nam in 1949 het aannemersbedrijf over van zijn vader. Het aannemersbedrijf eindigde in 1970, waarna Hub werkte als opzichter bij aannemersbedrijf Maessen in Heel. Vervolgens werkte hij bij gemeente Deurne als taxateur van onroerend goed. De laatste jaren heeft Hub, met al zijn praktijkervaring, tot aan zijn pensioen als leraar gewerkt in Eindhoven bij het beroepsonderwijs voor volwassenen.

Maatschappelijke betrokkenheid[bewerken | brontekst bewerken]

  • Hub was in 1956 medeoprichter van carnavalsvereniging De Kei en van 1956 tot en met 1959 secretaris en lid van de Raad van Elf. In 1960 speelde hij de rol van nar, van 1962 tot en met 1970 was hij lid van de Raad van Elf of bestuurslid, waarvan twee jaar als voorzitter.
  • In 1965 was hij Prins Hub d'n Uurste van De Kei. Daarnaast was hij jarenlang een deelnemer aan de jaarlijkse carnavalsoptocht.
  • Na de oprichting van de Prinsengarde in 1980 was hij lid en jarenlang deelnemer aan de Lijsselse Aovenden.
  • Hij was bestuurslid van het Wielercomité Liessel.
  • Hij was lid van fanfare Sint-Cecilia in de jaren ’50.
  • Hij was lid van de vrijwillige brandweer van Liessel tot de opheffing in 1964. Bij de brand van 22 februari 1957 vervulde Hub een heldenrol met een poging het meisje Truus van Kol te redden, maar dat was tevergeefs.
  • Hij was lid van de beheercommissie van gemeenschapshuis De Kastanje, bij de opening in 1976.
  • Hij was medeoprichter en lid van de bowlingbond Peelland.
  • Hij was lid van handboogschutterij Kunst en Vriendschap, gedurende 15 jaar.
  • Hub was lid van voetbalvereniging RKSV Liessel vanaf 1943 en jarenlang speler van het eerste elftal; in 1963 speelde hij zijn 600e wedstrijd. Hij speelde ook nog jarenlang voor de afdeling Veteranen. Verder was ook enkele jaren bestuurslid en bovendien erelid.
  • Hij was scheidsrechter bij het jaarlijkse familievoetbaltoernooi van de RKSV Liessel en tien jaar scheidsrechter bij de jaarlijkse grootste zeskamp van Limburg in Meijel (de geboorteplaats van zijn vader).
  • Hij zorgde in 1988 voor het timmerwerk bij het bakhuisje bij molen De Volksvriend.

Trivia[bewerken | brontekst bewerken]

Zijn vader zei over zijn zoon Hub in Meijels dialect: “Onzen Hub kan 't geliek". Van dat vakmanschap getuigden een kaarttafel in zijn huis, de slaapkamers en meubels van zijn kinderen en de talrijke meubels bij anderen in huis, zoals dekenkisten. Hub placht op de uitspraak van zijn vader te antwoorden met: „Ik kan alles maken, behalve jong heundjes, want daar heb ik geen model van."

Hub overleed aan de gevolgen van maagkanker. Vlak voor zijn overlijden verscheen op 19 maart 1994 onderstaand uitgebreid interview met hem in het Eindhovens Dagblad. Hij wilde in de laatste weken van zijn leven nog zijn eigen eikenhouten doodskist maken, maar de gezondheid liet dit helaas niet meer toe. Zittend aan de tafel voor het raam met uitkijk op de Hoofdstraat heeft hij in zijn laatste maanden nog veel voorbijgangers binnengeroepen om nog samen een laatste kop koffie met een Tia Maria te drinken en afscheid te nemen.

Bij zijn begrafenis op 11 april 1994 getuigde de overvolle kerk van Liessel van de grote maatschappelijke betrokkenheid van Hub en zijn bekendheid in Liessel.

Wat indrukken van Hub Hanssen als aannemer (klik op de foto voor meer informatie):



„Ik maak alles, behalve jonge hondjes"

ONZEN HUB KAN 'T GELIEK

door HANS VAN DEN HEUVEL

Hub Hanssen gaat dood. Nu geldt dat op termijn uiteraard voor alle Liesselnaren, maar de 67-jarige Hanssen staat wel erg hoog op het fatale lijstje. In het Deurnese kerkdorp zeggen ze zelfs dat hij zijn eigen doodskist al getimmerd heeft. Dat is niet waar: „Ik had het best gewild. Maar ik heb er de kracht niet meer voor." „Ik ben gisteravond bediend", meldt hij opgewekt. Buiten regent het al de hele dinsdag, maar binnen in de knusse keuken annex woonkamer aan de Hoofdstraat is het aangenaam warm. „Neem ook maar een lekkere tas koffie." Dat betekent een royale scheut Tia Maria erin. Die staat binnen handbereik naast een pakje Gladstone menthol.

Hub probeert nog alles te eten en te drinken: „Eergisteren nog, anderhalve pa- ling op. Vis bevalt me het beste. Vrijdag, een snee brood met een nieuwe haring. Mét uitjes. Straks heb ik trouwens een half worstebroodje gehad, nou ja, de worst eruit gegeten. En kijk, nu alweer ongemerkt een speculaasje. Ik heb ook van dat astronautenvoer, maar dat is niet te drinken. Melkprodukt hè, dat gaat niet meer als je je hele maag kwijt bent."

DAT BEDIENEN afgelopen maandag heeft hem goed gedaan. Hub is een gelovig mens, en hij put kracht uit zijn geloof. Als hij een slechte dag had, en hij was zo beroerd, dan flitste het door hem heen: ik ben niet eens bediend. Maandag was het weer heel erg. De dokter gaf hem een spuit: „Dat is voor vier weken doping, zei hij. Dan kun je weer dansen en alles. Nou ja, je probeert alle middelen om de pijn te verlichten, te kijken wat eraan te doen is."

Hij vond het nu toch echt hoog tijd om de laatste sacramenten toegediend te krijgen. „De pastoor lag ziek te bed, maar hij stond er toch op om me persoonlijk te bedienen. Hij zei: Stuur maar een auto, klop maar aan het zijraam, dan kom ik." Alle kinderen waren erbij, op een zoon in Japan na: „Ik besef nu nog alles, daarom wilde ik dat het nu gebeurde. Voor de kinderen is het ook veel gemakkelijker te dragen, omdat ze weten dat ik het accepteer dat ik op mijn leste school ben. Ik kan me er alleen maar bij neerleggen, en wachten. Ik heb veel steun aan de kinderen. Ze gaan hier niet zitten schruwwen en zo. Na afloop heb ik gezegd: Nu nemen we gezellig een borreltje, en de jongens een flesje bier."

Hub Hanssen wil alleen in zijn werkplaats op de foto.

HUB HANSSEN is een bekende figuur in het Peeldorp Liessel. Hij wordt geboren op dezelfde plek waar hij nu nog woont. Hij is als eerste jongen in het gezin Hanssen „schijtverwend", zoals zijn Valkenswaardse zus wat plagerig zegt, terwijl ze haar ontroering probeert te verbergen in een dikke wolk sigarerook. Dat neemt niet weg dat hij al jong de kost moet verdienen, als in 1949 reuma zijn vader verhindert zijn timmerwerk voort te zetten. Hub zit dan in dienst: „Ik was een goeie soldaat, hoor. Ik zat op het vliegveld Ypenburg. Daar had je als een cowboy zo'n revolver op je heup. Je zag die kleine ronde kogeltjes zo zitten. Als ik een sigaret rookte, deed ik heel voorzichtig de as eraf, zodat die maar zeker niet op mijn revolver viel. Ik dacht: dadelijk schiet ik dwars door mijn voet heen. God, wat heb ik toch schrik gehad."

Hub is misschien dan niet het prototype van een krijgshaftige soldaat, in de timmerwerkplaats is hij op zijn plaats. „Onzen Hub kan 't geliek", zei zijn vader altijd, daarmee zijn Meijelse afkomst verradend. Van dat vakmanschap getuigen nog de kaarttafel in zijn huis, de slaapkamers en meubels van zijn eigen zes kinderen en nog veel meer. Zijn laatste werkstuk staat nog in de werkplaats, waar zijn zoon nu de scepter zwaait. Echtgenote Miet werd onlangs 65. Groot feest in huize Hanssen, en dan is het handig om een paar van die inklapbare ronde bartafels te hebben. Hub maakte ze: „Ik kan alles maken. Behalve jonge hondjes, daar heb ik geen model van."

WAT HUB OOK goed kan, is organiseren. Hij is een echte verenigingsmens. In 1956 richt hij de carnavalsclub op, samen met de roemruchte Kiske van de Kerkhof, correspondent van deze krant. Dat betekent een optocht. „Wij samen naar de pastoor, want dan moest wel het lof verzet worden. Kiske zei tegen de pastoor: geef nou maar toestemming, want we doen het toch. Toen ging de pastoor overstag. Het lof werd verzet tot half drie. Maar we mochten het tegen niemand zo uitleggen dat de pastoor hier ook carnaval wilde hebben."

Geen carnavalsoptocht gaat voorbij zonder dat Hub meeloopt. Op geen Lijsselse Aovend ontbreekt een maf optreden van deze gezelligheidsmens. Stapels fotoboeken, tot de laatste carnaval toe. Toen hulde hij zich in een tutu en een witte panty, om samen met een club vrienden het Zwanenmeer op het podium te brengen. Ooit offerde hij zelfs zijn baard, toen er dringend behoefte was aan een imitatie van Tineke Schouten: „Ik vroeg: Zien jullie niks aan me? Niemand had in de gaten dat mijn baard eraf was."

Vele jaren lang komt rector Croymans namens de Limburgse Wielerbond de renners zegenen die Hub heeft weten te strikken voor de Liesselse wielerronde: „Ze kwamen hier graag fietsen. Wij zorg- den altijd voor dikke premies. Een week van tevoren gingen we renners inscnrilven in Montfort, en de volgende morgen kwamen we thuis, ergens uit België vandaan."

De bowlingclub komt mede dank zij Hub tot stand, en ook de handboogschutters van Kunst en Vriendschap hebben hem vijftien jaar lang op de ledenlijst. Tot hij op een slechte dag iets voelt, omkijkt en een pijl zo schuin weg tussen zijn schou- derbladen ziet steken: „Sindsdien heb ik nooit meer goed kunnen schieten. Ik keek steeds maar achterom, denk ik."

DE FOTOGRAAF komt binnen. Hub wil niet in zijn stoel aan de tafel op de foto. Hub Hanssen hoort in zijn werkplaats. Jas aan, das om, pet op, door de regen. Jas uit, das af, pet blijft op. Waar is de schaaf? Daar is de schaaf. „Ik zal voor je bidden als ik daar ben. Als je ook komt, kun je mee kaarten", krijgt de fotograaf bij zijn vertrek toegevoegd. Tien jaar is hij scheidsrechter bij „de grootste zeskamp van Limburg, in Meijel". En voetballen natuurlijk. Al in 1943 staat hij in het eerste van Liessel: „De eerste wedstrijd was ik midvoor. Ik sta zowat op de doellijn, als er een bal voorkomt. Ik presteer het nog om hem erover te knallen. Onze voorzitter Harrie Hendriks komt het veld op en slaat me zo aan mijn oren: Hub, jij staat niet meer voorin." Als verdediger maakt Hub in 1963 evengoed de zeshonderd wedstrijden in het eerste vol: „En ertegenaan, hè. Weer of geen weer. Het werd nooit afgelast. Tegenwoordig worden ze met watten en een suikerklontje in de kantine gezet. Wij vraten het gras op."

Het 50-jarig lidmaatschap van de VV Liesset zit er inmiddels op. Ook het carnaval ligt hem nog na aan het hart, als oudprins. Hier mengt zijn echtgenote Miet zich in het verhaal: „Ik wist niet eens dat hij prins zou worden. Het was hier altijd de zoete inval. We hadden toen drie kinderen. Die zagen we ooit niet liggen onder alle capes van de raad van elf. De vorst kwam hier, en hij nam Hub mee. Foto's maken, want hij werd prins. Als ik het geweten had, had ik nee gezegd, maar hij zou het toch gedaan hebben. Schrijf maar op: Arme vrouw. Hij was nooit thuis." Die arme vrouw wordt overigens niet altijd overgeslagen. Als er geen ronde- miss is voor de wielerronde, heeft Hub de oplossing meteen bij de hand.

DE, VELE CONTACTEN van toen helpen Hub Hanssen nu zijn lot verlichten. Er is veel aanloop: „Zo gaat de tijd vlot voorbij. Als je alleen bent, ga je maar zitten. piekeren wat je straks achterlaat. En als het een beetje weer is, loop 'ik een stukje op. Er is altijd wel iemand om mee te buurten. Ik heb liever dat de mensen komen, dan dat ze met de schrik in de ogen voorbijlopen. Want dat zie je vaak gebeuren." Zijn eigen doodskist heeft hij niet getimmerd. Maar voor de rest heeft Hub Hanssen wel alles geregeld voor de uitvaart. De prinsengarde van de carnavalsclub weet wat er van haar verwacht wordt. Een kennis komt binnen, de vrouw van een twee jaar gelden overleden vriend. Ze heeft een fles tomatensap meegebracht voor Hub. Die zegt meteen: „Ik ben gisteravond bediend." Het komt er zo enthousiast uit, dat het antwoord haast vanzelfsprekend komt: „Nou, gefeliciteerd!"[1]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Dit artikel in het Eindhovens Dagblad van 19 maart 1994 werd met toestemming van dat blad overgenomen.